Twintig pond voor veertig kilometer Egypte

/, Artikelen, Islam en Moderniteit/Twintig pond voor veertig kilometer Egypte

Twintig pond voor veertig kilometer Egypte

Thom Geurts

Samenleven is ruilen. Voor een ruil moet je minstens met z’n tweeën zijn. En je moet allebei weten welk voordeel je met de ruil haalt. En daarvoor moeten de ruilobjecten tot een gemeenschappelijke noemer worden herleid. De verschillen tussen de dingen strijken we weg om ze te kunnen ruilen. Geen probleem als een ruil incidenteel is. Maar een groot probleem als alles altijd ruilbaar moet wezen. Daartoe beschikken we over geld. Geld stelt mensen in staat om altijd alles met elkaar te ruilen. Geld maakt het mogelijk om de Zonnebloemen van Van Gogh te vergelijken met zakjes friet. Als de Zonnebloemen zestig miljoen kosten, is dat ongeveer dertig miljoen zakjes friet. Ongeveer vijfentwintig miljoen zakjes friet met mayonaise. Op het eerste gezicht laat de prijs het verschil tussen de dingen zien. Maar eigenlijk verdwijnt dat verschil achter het geld.

Egyptische ponden. Adressen. Nokia. Agenda. De drogist (iemand waarschuwde me voor het drinkwater). Een reis als een project. Uitgerekend wat het kost en wat het oplevert. Recht op het doel af. Vliegtijden. Inchecken. Twintig kilo. In het donker en in de diepte ligt de grootste stad van Afrika. Vijftien miljoen mensen: een matras van lichtjes. Een verlichte raderboot draait over de Nijl. Daar ligt het reisdoel. Al Qahira.

De doelgerichtheid duurde tot en met de landing. Dan knapt het elastiek van de eenvormige waardestandaard. De tijd houdt op in één richting achter geld aan te lopen. Alles beweegt door elkaar. De eerste gewaarwording is de geur. Verbrand rubber. Benzinedampen van miljoenen auto’s. Skoda’s, Lada’s, Renaultjes-6. De cilinders een beetje geholpen zodat ze wat scherper lopen. Maar ook de natte houtskool van de stookplaatsen van de lui die al eeuwen hun leven opmaken in het stof aan de rand van de stad. Niet alleen geuren waaien door elkaar. Alles beweegt ook door elkaar. Een nachtelijke dollemansrit in een taxi. Alles rijdt zonder licht. De toeters staan permanent aan en het licht is er alleen om knipperend te waarschuwen. Als de snelheidsmeter betrouwbaar is, rijden we iets meer dan honderd. Op deze zelfde weg kruipen boeren met groenten in een kar met een ezel ervoor naar de markt. Midden in de nacht! Op houtskoolvuurtjes zijn vrouwen in donkerrode doeken iets aan het bakken. Dat doen ze al honderden jaren. Maar in 2001 rijden er auto’s met een bloedgang langs. Zonder licht. Gelijktijdige ongelijktijdigheid.

Geld is geen ding. Het is een narrige toverkol die onze macht overneemt. Geld stuurt ons waarnemen. Het bepaalt de waarde die we zien: wat waardevol en wat waardeloos is. Het kleurt de verhoudingen die we met elkaar aangaan: wat kunnen we in het licht van het medium geld voor elkaar betekenen. Het bepaalt het zelf van mensen. Het maakt leven tot een project: een doelgerichte onderneming die gericht is op het verwerven van zoveel mogelijk kwantiteit. Het structureert tijd: een rechtlijnig proces, een keten van oorzaak en gevolg waarin mensen gericht zijn op het opstapelen van kwantiteit. We dansen naar de pijpen van de wetten die besloten liggen in het medium geld. Wetten die blind zijn voor kwaliteit en verschillen. Wat er niet in past, heet  mislukt. Zelfs wat we ons ik noemen, onze identiteit, presenteren we vanuit deze mythe. We keren onze ruilbaarheid, onze positie in het ruilverkeer, naar binnen. We zijn wat we hebben. Het ik is te koop: “Kijk mij eens.”

Maar als die mythe het niet meer doet, dan zitten we met de brokken. We blijven zitten met stukken die niet meer in elkaar willen. En elk stukje wordt een verhaal op zich.

De taxi hakkelt naar de verlichte ingang van het hotel. Groen marmer. Bedienden in livrei wachten op koffers en op mijn ponden. Aan de overkant dommelen twee soldaten, slapende wachters, automatische wapens op hun knieën. Zo beschermen ze het imago van Egypte in het buitenland.

“Twenty pounds, sir.” Vier euro voor een nachtelijke taxirit van bijna veertig kilometer. Mijn vingers zoeken een weg in het labyrint van het vreemde papiergeld in mijn portemonnee. Twee groezelige biljetten van tien pond blijven tussen duim en wijsvinger hangen. De vierkante kinnen van Moebarak en Nasser contrasteren met de verfomfaaide hoeken van de biljetten. Op de vouw is de inkt afgesleten. Onleesbare Arabische tekens, onneembare hindernissen bij het oplossen van de raadsels die deze biljetten bevatten. Het laatste half uur hebben we zwijgend naast elkaar gezeten. Ik weet niet eens hoe hij heet. Heeft hij kinderen. Is die auto van hem? Slaapt hij overdag of ’s nachts? Leeft zijn vader nog? Waarvan droomde hij dertig jaar geleden, als jongetje van tien? Het enige dat we voor elkaar betekenen is geld. Over die band hebben we contact. En verder niets. In mijn herinnering kan ik de beweging van mijn arm, waarmee het geld uit mijn portemonnee naar hem wordt gebracht, vertragen. Terwijl om ons heen het verkeer raast, is het in de vertraagde beweging doodstil. De contouren van de dingen in deze vertraagde beweging verwateren. De groezelige biljetten die ik tussen mijn vingers houd zijn nog even zichtbaar, maar verdwijnen dan in de camouflagekleuren van de Egyptische nacht.

De ban van de mystificatie van het geld wordt gebroken. Het geld zegt dat we in een ruiltransactie gelijkwaardig zijn, marktpartners. Maar dat is een leugen. Wij, hij en ik, zijn niet gelijkwaardig in een ruilverhouding. Ik kan overal aan meedoen. Hij niet. Het geld weet waarom. De drie rijkste aardbewoners bezitten evenveel als de armste zeshonderd miljoen. Het geld weet waarom. Het geld zegt dat alle dingen in geld zijn uit te drukken, en met elkaar kunnen worden vergeleken. Iemand belegt zijn vermogen in iconen. Geen vermogensbelasting. Onbelaste transactiewinst. Een stuk van een iconostase uit Nowgorod. Madroesjka’s hebben er waskaarsen voor laten branden. De kou van wie weet hoeveel Russische winters is er door opgewarmd. Gelukjes en verdrietelijkheden, groot en klein zijn al biddend aan deze iconen gehecht. Taxatierapport. Meningsverschillen met de inspecteur. Alles van waarde is weerloos. Van alles de prijs weten, en van niets de waarde.

Samen met mijn Palestijnse vriend Fouad Giacaman een lezing in Cairo University. Over ons project Sharing Stories. Leerlingen in de tweede fase in Nederland in gesprek met leeftijdsgenoten in Palestijnse scholen. Christenen, moslims, en leerlingen die zich niet meer binden aan een traditie. Over en weer, in English. Onder de toehoorders twee markante Egyptenaren. Profs van Cairo University. Ze zijn erg boos op ons. Wat we willen is onmogelijk! Want levensbeschouwelijke tradities spreken niet met elkaar, ze eisen de waarheid voor zich op. En als je dat doet kun je niet spreken maar slechts preken. En wat we willen is bovendien verwerpelijk. “Islam is murder!” Hun uitspraak slaat in als een bom. Als een Egyptenaar dit zegt in Egypte gebeuren er veel dingen tegelijkertijd. De pose, de mimiek en het stemgebruik doen denken aan de stelligheid van politieke redevoeringen kort na de oorlog. Koos Vorrink spreekt. Dan is er ook die merkwaardige Arabische dictie van het Engels. De medeklinkers lijken uit elk woord te worden losgetrokken. Maar vooral: de inhoud van deze uitspraak: “islam is murder”. Egypte is geen islamitisch land zoals Pakistan, of Sudan of Iran. Maar de Islam is alomtegenwoordig. Vloeken in de kerk. Gelukkig zie ik dat de Moslim Broeders niet bij onze lezing zitten. Maar toch wordt er heftig en emotioneel geprotesteerd. Onder anderen door enkele Nederlandse moslims. Dat ze nergens zoveel respect en dialoog met hun islam zijn tegengekomen als in Nederlandse scholen. Ze komen terug, die profs van Cairo University, met de volgende casus. “Wat doen jullie als een van die geseculariseerde Nederlandse leerlingen tegen een Palestijnse moslim zegt: die Koran van jullie: niks woord van God; gewoon inkt op papier.” Dat is de lakmoesproef. Fouad, naast mij, heeft zweetdruppels op zijn voorhoofd staan: “ja ehh, we moeten natuurlijk erg voorzichtig zijn. We moeten dat allemaal goed in de hand zien te houden.” Ik: dat kun je niet in de hand houden. Dat is een moment waarop leerlingen van elkaar kunnen leren. Moeten we blij om zijn. Het gaat er niet om dat leerlingen een levensvisie overnemen, of leren hoe ze die strak moeten vasthouden. Waarom het gaat is dat we levensbeschouwelijke tradities aan mensen teruggeven. Wat een levensbeschouwing zou moeten zijn groeit uit de mensen zelf op. Nadat de workshop is afgesloten komen ze naar ons toe. Of ze het volgend jaar mee kunnen doen met Egyptische scholen.

Een gesprek in de lounge van het hotel. Na de workshop. Met deze Egyptische “opponenten” Mourad Wahba en Mona Abousenna. Het zijn humanisten. Van het kaliber dat in Nederland bijna is uitgestorven. Het is het humanisme dat wij kennen van het begin van de vorige eeuw: de Dageraad, nog even stuiptrekkend in de Vrije Gedachte. Ze werken met dezelfde auteurs: Marx, Freud, Feuerbach en ook met de Frankfurters (vooral Fromm) en met Fransen als Lacan. Of ik Rob Tielman ken. Natuurlijk! Ze vertellen over een collega. Koran deskundige. Vanwege uitspraken en geschriften door een rechtbank als ongelovige uit de umma van de Islam gestoten. Baan kwijt. Nu als balling in Londen. Vrouwen mogen niet trouwen met niet-moslims. Dus: ook zijn huwelijk ontbonden. Vrouw mag Egypte nog niet uit. Islam is .. Later hoorde ik dat dit fenomeen niet meer in ballingschap in Londen verkeert, maar … in Leiden doceert op het Instituut voor oosterse wetenschappen, en hoogleraar is op de Universiteit voor humanistiek in Utrecht. Zijn naam: Nasr Abu Zayd.

Een discussie tijdens een ronde tafel gesprek over globalisering. Over het schrikbarende gewicht van de economische factor in dat proces. Globalisering via het medium geld. Hoe kunnen mensen die geen geld hebben aan globalisering deelnemen? Worden ze niet op een nieuwe manier cultureel gekoloniseerd? Is het flitskapitaal dat met de snelheid van het licht in bits en bites over de planeet schiet in staat om leefkwaliteit te meten en daaraan doelen te ontlenen? Kan flitskapitaal menselijk zijn? Wil het menselijk zijn? Kan het iets willen? Terwijl we daarover praten kijk ik door het raam en zie ik hoe een kleine zilverreiger tussen de bouwputten van weer nieuwe hotels met aan langzame vleugelslag omhoog klimt. Hoe was het ook al weer: “alles van waarde is … koopwaar?”

Gesprek met de scarabee van Toetanchamon, Egyptisch museum. Verbluffend. Edelsmeedwerk van de bovenste plank. Prachtig gestileerde afbeelding. Goud. Ingelegd met lapis lazuli. Een mozaïek van stukjes gekleurd glas en email. Het teken van het voortleven na de dood. Bij ons achter, in Goirle, liggen grafheuvels uit de ijzertijd. Chronologisch even oud. Tegen hoeveel zakjes friet zou je die scarabee kunnen …

Met een gepakt groepje Nederlanders in een taxi op weg naar het vliegveld. Veertig kilometer. Hij rekent vijfentwintig pond. Er volgt een tegenbod met een harde g: tien pond. En daarbij heftig gegesticuleer en een gesimuleerde verontwaardiging. Hier wordt met geld macht uitgeoefend. Zomaar. Zonder doel. Is dat een doel: vijftien pond, drie euro? Mijn vingers zoeken een weg in het labyrint van het vreemde papiergeld in mijn portemonnee. Twee groezelige biljetten van tien pond blijven tussen duim en wijsvinger hangen. In mijn herinnering kan ik de beweging van mijn arm, waarmee het geld uit mijn portemonnee naar hem wordt gebracht, vertragen. Terwijl om ons heen het verkeer raast, is het in de vertraagde beweging doodstil. De contouren van de dingen in deze vertraagde beweging verwateren. Tien pond. En nog een keer tien pond. En nog een keer. Ten leste.

MENU