Marrakech 2011 127 (Small)Religie van verzuild systeem naar persoonlijk handelen,

Transformatie van religie in Nederland

 

 

 

 

Modernisering: historische achtergrond

 

Wat nu Nederland heet is gegroeid uit het netwerk van metropolen aan de Noordzee (Blockmans 2010). Als de nautische kennis en voorzieningen eenmaal op peil zijn is de Noordzee een ruimte van verkeer en handel met havensteden als knooppunten. Het water levert ook verbinding met de tering en de nering van het achterland en componeert niet alleen de geografische kaart, maar ook de economie en de manier waarop gemeenschappen zich vormen. Toeristische gidsen melden met kennelijk plezier de paradox dat God weliswaar de wereld schiep maar dat Nederlanders Nederland geschapen hebben. Daar zit wat waars in. Simon Schama (1987) laat het moderne Nederland beginnen met de strijd tegen het water zoals die culmineerde in de rampzalige Elisabethsvloed van 18 november 1421. Vijfhonderd kilometer land werd door zeewater overstroomd. Een nieuwe, brede zeearm scheidde het zuiden van Holland van het welvarende Vlaanderen. De stapelfunctie van de havens aan de Schelde kwam in het gedrang. De nieuwe zeearm bespoedigde een verschuiving van de handel naar het noorden. Het voortdurende overstromingsgevaar in de lage delen van Holland en Zeeland had de landheren er al in de elfde eeuw toe gebracht boeren die de streek wilden ontginnen en bebouwen de status van halfvrije pachter te geven. Vestiging van boeren en vissersgemeenschappen moest verder opdringen van de zee tegengaan. Landheren behielden alleen nog een tiendrecht waardoor de feodale tradities ver werden teruggedrongen in het belang van de bescherming van het land. De stabilisering van de feodale hiërarchieën die tegen het einde van de middeleeuwen elders in Europa plaatsvond deed zich in de Nederlanden dan ook niet voor. De overheersing van het platteland door vrije boeren en later door stedelijk handelskapitaal was op den duur niet meer terug te draaien (Schama 1987, 43). De bestuurlijke structuur van wat Schama de ‘vloedsamenleving’ noemt berustte op wederzijds belang bij veiligheid: een op functionaliteit gerichte bestuurlijke structuur die van onderop werd opgebouwd en niet van boven- en buitenaf werd gedelegeerd. De strijd om onafhankelijk bestuur viel samen met de strijd tegen het water.

 

De vroege ontwikkeling van een moderne bestuursvorm stond niet op zich maar werd verbonden aan een ander kenmerk van de samenleving die op de vloedlijn van de Noordzee was ontstaan. Blockmans (2010) wijst op de opmerkelijke openheid van bewoners van een havenmetropool voor de gewoonten van anderen met wie het water en het handelsverkeer hen verbonden. Dat gold misschien ook de opvattingen van anderen over uiteindelijke zaken als goed en kwaad en leven en dood. Van anderen leer je en neem je over wat nuttig is voor de opbouw van je eigen wereld.

 

De systematische inspanningen tegen het gevaar van het water en voor handelsbelangen en de bestuurlijke autonomie van locale gemeenschappen in de Nederlanden gaven een eigen reliëf aan de religieuze pluraliteit die tijdens de reformatie in Europa ontstond. In elk geval is het beginsel waarmee de godsdienstoorlogen in Europa werden beslecht enkel op een eigenaardige manier op de Nederlanden van toepassing: cuius regio,eius religio. Maar van wie waren de bewoners van de Republiek van de Verenigde Nederlanden dan? Vrije stedelingen en bewoners van de periferie moesten samen een oplossing zoeken voor de pacificatie van de godsdiensttwisten. Hiervoor bood protestantisme met afkeer van een centralistisch institutioneel gezag een beter kader dan het katholiek model. Pacificatie van religieuze tegenstellingen werd vanuit dit Hollands protestantisme aangepakt.

 

De moerasdelta aan de Noordzee werd een niche waarin het genoom van een moderne samenleving ontstond. De bestuursorde was opgezet volgens eisen van functionaliteit en niet volgens traditionele vormen. Kennisontwikkeling was gericht op verbetering van effectiviteit van handelen. Ideologie en recht werden ingezet voor pacificatie van potentiële religieuze spanningen. De samenleving werd samengehouden onder het hemels baldakijn van een religieuze zin die door schrift, geloof en genade worden geboden.

 

In de 19e eeuw kwam dit moderne genoom in een nieuwe fase met de uniformering en de bestuurlijke schaalvergroting van de napoleontische tijd: formele scheiding van kerk en staat, normalisering van maten in een uniform metrisch stelsel, op differentiatie van machten gestoeld rationeel rechtssysteem, de betrekking van stad en achterland met een netwerk van wegen, invoering van nationale valuta en opheffing van regionale muntrechten. Er ontstond daarmee een sterke impuls voor interne afstemming en verbinding. De staat had meer middelen dan ooit om de samenleving te sturen en te controleren. Met de ontwikkeling van de natiestaat zetten de Nederlanders een nieuwe stap in de modernisering van hun land: de samenleving zelf werd een project. Natiestaat Nederland richt zich in de 19e eeuw met systematiek op nering, maar ook op emancipatieprocessen van katholieken, kleine luyden en arbeiders. De pacificatiekracht van de moderne samenleving wordt opnieuw aan de tand gevoeld. Niet alleen om religieuze pluraliteit in het gelid te houden maar ook om een waarde aan de natiestaat op te leggen: toegang tot politieke besluitvorming voor iedere burger, verheffng van de arbeider en emancipatie van de kleine burgerij en katholieken. De samenleving werd maakbaar. Uit deze moderne ambitie groeit het project van de verzuiling. Verzuiling behelst de ontwikkeling van parallelle samenlevingen die stuk voor stuk bijeengehouden worden door hun religieuze identiteit of een levensbeschouwelijk ideaal (Hellemans 1988). Onder de grootste en meest hecht georganiseerde religieuze systemen worden leefwereld, cultuur en economie als samenhangende sferen, opgebouwd en voorzien van een religieuze oriëntatie. De zuilen zijn naar binnen gericht met eigen instituties. Iedere zuil heeft een eigen politieke beweging, eigen media, vakbonden en werkgeversorganisaties, manifestaties en ideologische organisatie. De zuilen bewaken hun interne cohesie en gaan verwatering tegen. En: zuilen hebben hun eigen onderwijs. Van essentieel belang voor de samenhang van de zuil is het institutioneel religieus systeem dat activiteiten beoordeelde en coördineerde en het contact met andere zuilen organiseerde. De zuil schermt zich af van staatsbemoeienis. De overheid is subsidiair, respecteert de soevereiniteit in eigen kring en maakt maximale ruimte voor initiatieven van burgers in het maatschappelijk middenveld, bijvoorbeeld in de organisatie van onderwijs.

 

 

Modernisering en religie in Nederland: empirie

 

En dan keert het getij. Nederland was tot in de jaren zestig van de vorige eeuw een van de meest kerkse landen van Europa. Aan het begin van dat decennium rekende acht op de tien Nederlanders zich tot een kerkgenootschap. Uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) blijkt dat nog in 1970 75% van de Nederlanders aangesloten was bij een christelijke kerk. In 2005 gold dat voor nog maar 45% van de 16,8 miljoen Nederlanders geregistreerd aangesloten bij een kerk. (Becker & De Hart 2006). Het ledental van de PKN (waarin de Nederlands Hervormde Kerk,de Gereformeerde Kerken en de Evangelisch-Lutherse Kerk samen gaan) daalde tussen 1990 en 2004 met 43% van 2,7 miljoen naar 2 miljoen. Naar verwachting zal in 2020 bijna driekwart van de bevolking buitenkerkelijk zijn: 10% zou dan rooms-katholiek en 8% moslim zijn, 4% zou zich rekenen tot de protestantse kerken in Nederland en 7% zou tot een van de overige kerkgenootschappen horen. (Becker & De Hart 2006, 54). In dit verband zijn gegevens over religieuze opvoeding in het gezin van belang. In 2004 bleek dat de grootste groep ouders die kinderen onder de 21 jaar hadden op het gebied van religieuze opvoeding helemaal niets ondernamen (42%). Een kwart van de ouders hield zich daar af en toe mee bezig en 32% deed geregeld moeite voor de godsdienstige of levensbeschouwelijke opvoeding. Onder de rooms-katholieke kerkleden zakte het ‘geregeld moeite doen’ van 1994 tot 2004 van 38% naar 26%. (Becker & De Hart, ) Het Sociaal Cultureel Planbureau concludeert: “De afgelopen veertig jaar hebben de jongeren vooropgelopen in de ontkerkelijking, de mensen van middelbare leeftijd haalden hen in, de ouderen bleven achter. (…) Het valt op dat de ontkerkelijking onder de 16-30 jarigen zich na 1995 afvlakt. Dit verschijnsel zou een voorbode van stagnatie kunnen zijn. Als de ontkerkelijking van de oudere leeftijdscategorieën op den duur even hoog wordt als die van de jongere zal het percentage buitenkerkelijken van de 16-30 jarigen op den duur voor de gehele bevolking gelden. Uitgaande van het onderzoek van 2004 zou dat ruim 70% moeten zijn.” (Becker & De Hart,)

 

Er zijn meetgegevens over de steun voor verzuiling onder de Nederlandse bevolking. In 1996 blijkt hoezeer die is afgekalfd. In dat jaar vond nog maar een vijfde van de respondenten dat een omroepvereniging een confessionele basis behoorde te hebben, een tiende vond dat van een vakvereniging en slechts 4% stond een sportvereniging op confessionele grondslag voor. Ook de steun voor de verzuilde richtingsschool is sinds 1966 sterk verminderd. In dat jaar zou 55% van alle Nederlanders zijn kinderen naar een confessionele lagere school sturen. In 2002 zou 34% daartoe overgaan. (Becker & De Hart 2006, 60). En van dat aantal kiest een aanmerkelijk deel voor een confessionele school omwille van redenen die niet direct aan de levensbeschouwelijke identiteit van de school te relateren zijn zoals de afstand tussen school en thuis, of de invloed van ouders op bestuur van de school (Dronkers & Hofland ). Voor veel ouders wordt een confessionele school niet aantrekkelijker wanneer zij haar religieuze identiteit in RE actief overdraagt, maar wel als de school in ruime zin aandacht heeft voor religieuze vorming en informatie zonder die te beperken tot de richting van de school (Dronkers & Hofland; Dekker 2010). De steun voor de confessionele politieke partij halveerde van 1970 in dertig jaar naar 11% (Becker & De Hart 2006, 60).

 

Dit alles betekent niet dat we in Nederland in een postreligieus tijdperk leven. Op het niveau van het individu kregen niet zozeer de varianten van uitgesproken ongeloof meer aantrekkingskracht, maar is de levensbeschouwelijke modularisering toegenomen. Men is nog wel in aanzienlijke getale geneigd afzonderlijke onderdelen van de traditie te onderschrijven maar niet om het totaalpakket voor zijn rekening te nemen. Zo’n losse religieuze identiteit komt per saldo neer op een levensbeschouwelijke versplintering op individueel niveau, een manifestatie van individualisering op godsdienstig gebied. Het gros van de bevolking bekent zich noch tot orthodoxe kerkelijkheid noch tot het andere uiterste van een overtuigd ongeloof. Religie is geïndividualiseerd en gedemocratiseerd. Er is minder externe dwang en meer spiritueel zoekgedrag gekomen dat vaak uit zeer uiteenlopende bronnen put en zich moeilijk laat vangen in traditionele categorieën. Binding aan een samenhangend geloofssysteem verkruimelt en wordt steeds meer vervangen door spiritueel zoekgedrag en tentatief opbouwen van een leefwereld in het perspectief van uiteindelijke zin. De wijdverbreide belonging without believing uit vroegere dagen maakt plaats voor een believing without belonging. Deze nieuwe, ongebonden spiritualiteit (Van de Donk 2004) heeft inhoudelijke een nogal diffuus karakter, maar doet tegelijk een beroep op het handelen van mensen om hun bestaan te verbinden vanuit ervaringen die ze als ‘heilig’, ‘ingrijpend’ of ‘buitengewoon’ bestempelen. Op de achtergrond ligt het besef dat religie iets is dat voortdurend verandert tijdens je leven en dat het meer om de tocht dan de aankomst gaat. Dat je je moet openstellen voor nieuwe ervaringen, dat religie kan opwellen uit vele bronnen en bijeengezocht kan worden uit vele tradities, dat religie ook eerder iets persoonlijks is dan een groepsgebeuren en niet noodzakelijk een institutionele inbedding behoeft. Religie transformeert (Van de Donk 2004) van de objectieve samenhang van een traditionalistisch systeem naar een handelingsveld van concrete mensen in concrete situaties, een proces, verbonden met een bepaalde levensstijl (Motivaction 2009).

 

In paragraaf acht bespreken we de situatie van migranten en met name van moslims tegen de achtergrond van de transformatie van religie in Nederland. Zij hebben te maken met een eigen transformatie. De islam die zij kennen uit hun leefwereld in de landen van herkomst is vaak nog premodern. Aan hen de dubbele opdracht hun islam te moderniseren en tegelijk de aansluiting met de laatmoderniteit van de Nederlandse samenleving te vinden.

 

 

Conclusie: transformatie van religie

 

Het moderniseringsproces van de Nederlandse samenleving gaat door in een nieuwe fase: laatmoderniteit (Giddens 1989). Laatmoderniteit kenmerkt zich door verregaande maatschappelijke differentiatie, pluraliteit en schaalvergroting. De samenleving is niet meer maakbaar maar een chaotisch systeem van interdependenties. Het is niet meer mogelijk dit systeem met een religieus ideaal of programma bijeen te houden. Op persoonlijk niveau speelt het alledaagse leven zich af in rollen die zich steeds moeilijker tot een samenhang laten voegen (Dahrendorf). De rol die religie had als factor van de verzuilingseenheid is niet meer houdbaar. Dat is realiteit, maar het stemt ook tot zorg. Dat wist Weber reeds die de moderniseringstendens voorzag dat doelrationaliteit waarderationaliteit verdringt. Habermas specificeerde deze zorg door te wijzen op de alomtegenwoordige beslissingsmacht van de economische sector (Habermas 1989). De actuele discussie in Europa over de humaniteit en de houdbaarheid van de samenleving in de context van de economische situatie onderstreept deze zorg. Religieuze noties als heil en genade demonstreren met hun tegendraadsheid nog steeds de kracht van religie, ook al is die uit de traditionalistische benadering van religie weggesijpeld. Religie verdwijnt niet maar transformeert van traditionalisme naar handelen, van een gesloten systeem naar een besef van wat uiteindelijk van belang is en het handelen in het alledaagse leven kan dragen.

 

Voortkomend uit ditzelfde concrete handelen van mensen die hun leefwereld opbouwen in het perspectief van uiteindelijke zin, zijn tradities met deze transformatie allerminst overbodig geworden. De traditionalistische reductie van tradities tot objectieve systemen die zich niet meer door mensen en hun contexten laten gezeggen en beïnvloeden is dat wel, die heeft in Nederland haar tijd gehad. De problematiek van de laatmoderne, globale samenleving is niet alleen het omgaan met verschillen tussen religieuze tradities, maar de betekenis van religie als zodanig in de context van modernisering, differentiatie, segmentatie en onthumanisering. Daarin zijn religies lotgenoten. Kunnen ze ook bontgenoten zijn door hun besef van humaniteit te ontsluiten in handelen binnen de context van de laatmoderne samenleving?