Omgaan met bronnen

Thom Geurts

1. Bronnen waarvan?

1.1 Een handelingsgerichte benadering van kennis

De Duitse maatschappijtheoreticus Arnold Gehlen typeert de mens als “Mängelwesen”: een gebrekkige . Wat mensen tekort komen is de instinctmatige toerusting waarover dieren wel beschikken en die hun gedrag tamelijk automatisch regelen op grond van genetische, en deels via stimulus-respons leren verworven prikkels. Mensen vullen dit gebrek op met inzicht, reflectie en kennis. Let wel: dat is niet in de eerste plaats een individueel bezit, maar het bezit van een gemeenschap. Die bewaart deze kennis, beproeft die, corrigeert en breidt die uit en geeft die door. Mensen lossen met cultuur op wat ze van nature missen. Dit maakt het verschil mogelijk tussen gedrag en handelingen: gedrag verloopt zonder de onderbreking van reflectie en doelgerichte planning, handelingen worden uitgevoerd op grond van regels, bedoelingen en inschattingen. En deze regels, bedoelingen en inschattingen zijn expliciet te maken en door de handelende personen bij te stellen.

Dit betekent dat de wereld waarin mensen leven niet zo sterk als bij (andere) dieren door instincten en prikkels wordt geordend maar dat mensen die ordening meer zelf aanbrengen . Kennis is voor mensen een instrument waarmee ze hun wereld opbouwen, met andere woorden: mensen construeren hun wereld door betekenis te geven . Deze praktische benadering van kennis is niet vanzelfsprekend. In de filosofie en veel menswetenschappen werd lange tijd een scheiding gemaakt tussen het domein van het denken en het domein van het doen. Het denken had zo zijn eigen werkelijkheid, was op zichzelf betrokken en in sommige filosofieën was het bewustzijn ook van de wereld buiten het bewustzijn afgesloten (wat dan natuurlijk weer de vraag opriep hoe je dan van die wereld kon weten) . Deze benadering van denken is afgelost door een pragmatische (letterlijk: handelingsgerichte) benadering. Uitgangspunt daarvan is dat mensen handelende wezens zijn, en het denkvermogen waarmee ze zich onderscheiden een onderdeel is van hun handelingsvermogen. Dat handelen is sociaal en niet individueel : je neemt, samenlevend met anderen, hun handelingen over. Nu is ook deze sociale invulling van pragmatiek niet vanzelfsprekend. De bekende Amerikaanse pragmatist William James is sterk individueel georiënteerd. Daarom is het zinnig (en geen pleonasme) om te spreken van een sociaal pragmatisme, een sociale handelingstheorie. Wat betekent dit pragmatisme voor de theorie van de religie?

1.2 De invalshoek van religie: je leefwereld opbouwen in het perspectief van uiteindelijke zin

Ook religie is in deze benadering een vorm van kennis die gericht is op het construeren van de wereld waarin je leeft . In de constructivistische benadering van religie is religie een manier van omgaan met de werkelijkheid die de werkelijkheid opbouwt in het perspectief van uiteindelijke zin . Met ‘zin’ bedoel ik iets anders dan met ‘betekenis’. Betekenissen zijn eigenschappen van dingen die bestaan. Zin is een eigenschap van bestaan zelf. Dat is heel wat anders.

Als een kind dat langdurig ernstig ziek is de vraag stelt naar de betekenis van ziek zijn, is dat meestal niet zomaar een medische of biologische vraag. Waarschijnlijk gaat die vraag verder en is het een vraag naar de uiteindelijke zin van leven, van wat haar nog te wachten staat, en eigenlijk een vraag naar de betekenis van alle gelukjes en verdrietelijkheden, groot en klein, die van moment tot moment in een tomeloze hoeveelheid over elkaar tuimelen. Het stelt, natuurlijk in zijn woorden, de vraag naar de zin van bestaan. Daarmee heeft het een bijzondere vraag gesteld. Het is een vraag die intrinsiek verbonden is met onze vrijheid. Laten we maar eens heroïsch beginnen en vanuit onze vrijheid naar deze vragen kijken. We zien wel of deze heroïek het uithoudt en uiteindelijk ook levensvragen opheft tot iets waarop we trots kunnen zijn en over kunnen pochen. Maar het zou ook kunnen dat we, omgekeerd, uiteindelijk onze vrijheid moeten gaan verstaan vanuit levensvragen die ons zo kwetsbaar maken.

Vrij zijn we omdat we ons niet kunnen neerleggen bij de wereld zoals ze is. We liggen niet onder onszelf verpletterd in het hier en nu. Maar we beschikken over het vermogen om ten opzichte van het hier en nu een zekere distantie in te nemen. Hoe miniem ook. We kunnen het hier en nu beoordelen. We ervaren onze situatie als goed of slecht, mooi of lelijk, we weten van waarheid en leugen. Precies met deze ervaringen slaan we een gat in onze situatie. We ontdekken een verschil tussen de feitelijk¬heid en de mogelijk¬heid. Dat gat is het begin van onze vrijheid.

Als we de ervaringen waarin dit beoordelen zich manifesteert nauwkeuriger analyseren, krijgen we meer zicht op de manier waarop onze vrijheid is opgebouwd. Ik beperk me, bij wijze van voorbeeld, tot ervaringen van onrecht. Je slaat op tafel. Uit woede. Iets of iemand wekt een onmiddellijke en objectieve ervaring van onrecht. Die kun je nauwkeurig beschrijven. Dit aspect van de situatie is zo onontkoombaar helder dat het de ervaring domineert. De ervaring ontleent haar identiteit eraan: het is een ervaring van onrecht. Maar daarmee is niet alles over deze ervaring gezegd. Lang niet. In feite is het nog slechts een schets van de oppervlakte van deze ervaring. Deze ervaring heeft namelijk nog een tweede kant. Elke ervaring van onrecht is een ervaring van het ontbreken van recht. Daarmee bevat elke erva¬ring van onrecht tegelijkertijd een besef van recht of gerech¬tigheid. Dit besef is de mogelijkheidsvoorwaarde zonder welke een ervaring van onrecht als het gemis van recht of gerechtigheid niet tot stand kan komen. Deze dimensie is de bron voor wat zich aan het oppervlak als ervaring van onrecht manifes¬teert. Alleen is het besef van gerechtigheid of van recht niet objectief uit te drukken. Het onttrekt zich aan operationeel weten. Het laat zich slechts met metaforen raken, niet met blauwdrukken of protocollen. We komen niet verder dan een besef, het zal geen weten worden. Nooit. We verkeren met dit besef niet in de sfeer van begrijpen en weten. Precies dit besef is het besef van het gat in onze situatie waaruit onze vrijheid zich ontwikkelt. Daarmee ontsnapt onze vrijheid ook aan het weten en het begrijpen.

Dergelijke ervaringen (Schillebeeckx noemde ze ‘contrastervaringen’) onthullen mensen als eigenaardige dub¬belwezens. Enerzijds middenin een situatie die tekort schiet. En anderzijds aanwezig bij zin. En dat zonder dat deze twee kanten definitief uiteen te leggen zijn in twee verschillende werelden. Wie we zijn ontlenen we juist aan de uiteindelijk onmogelijke opgave om het allebei tegelijk te moeten zijn.

Hiermee wordt de heroïek van onze vrijheid echter al flink aangetast. We hebben de bron van onze vrijheid niet als een ding in onze macht, kunnen deze bron niet begrijpen en kennen zoals we de dingen kunnen begrijpen en kennen. Vrijheid lijkt eerder een lot dan een eigenschap waarover op te scheppen valt. En onze oorspronkelijke ervaring van vrij-heid is er niet een van macht en manipulatie. Oorspronkelijk is de ervaring van ontvankelijkheid. En deze ervaring keert steeds weer in de ervaringen van kwetsbaarheid waarin onze vrijheid sisyfusarbeid wordt. Vrijheid gaat daarom, uiteindelijk, hand in hand met angst. Vrijheid ontwikkelt zich in de confrontatie met het niets, het gat in de situatie. Het is juist deze angst die een belangrijk structuurelement is van levensvragen. Als we onze vrijheid bezien vanuit levensvragen, dan beleven we onze vrijheid als een fundamenteel gemis. Levensvragen leggen de paradox van onze vrijheid bloot: tegelijk grootsheid en oor-spronkelijke kwetsbaarheid.

Deze paradox zit ook in het vragen naar zin. Het is vragen naar zin. Naar het totaal onbekende kun je niet vragen. Derhalve zit in de vraag naar zin onontkoombaar onze aanwezig¬heid bij zin. Maar het is ook een vraag naar zin. We moeten ernaar vragen. We hebben zin niet in onze greep. Die ontsnapt ons klaarblijkelijk. Daar zitten we dan: op het slappe koord tussen zin en onzin. Niets staat vast, niets hebben we in onze greep. Zin is een horizon die ons in staat stelt vrij te zijn. Maar die zich tegelijkertijd aan onze greep onttrekt, een horizon die met ons mee opschuift, telkens wanneer we er greep op willen krijgen. Deze horizon van zin openbaart ons onze oorspronkelijke ont¬vankelijkheid en confronteert ons met de onontkoombare misluk¬king van zelfgenoegzaamheid. Zin is geen ding dat we be¬grijpen en beheersen kunnen. Hooguit is het iets dat we kunnen ver¬staan. Dan wordt denken danken (Heidegger).

Levensvragen ontstaan op het moment dat zin niet meer vanzelf spreekt en gemist wordt. Levensvragen ontstaan ook op het moment dat zin ervaren wordt als een geheim waarop we uitein¬delijk geen greep hebben. Levensvragen drukken het doordringende besef uit van onze oorspronkelijke en uit¬eindelijke kwetsbaarheid. Vanuit het standpunt van zelf-genoegzaamheid waarin we het vreemde willen onteigenen en tot een element van ons ontwerp willen annexeren zijn levensvragen gevaarlijk. Ze bedreigen de vanzelfsprekendheid waarin de waan van onze controle zich nestelt.

1.3 Religie: het opbouwen van zin vanuit overgeleverde kernervaringen

Wat dan te denken van religieuze tradities? Volgens sommigen zijn dat systemen van samenhangende antwoorden op levensvra¬gen. Deze formulering is rijp voor een correctie. Ze zou wel eens kunnen berusten op een misverstand, een bedrieglijke symmetrie tussen enerzijds alledaagse vragen en antwoorden, en anderzijds levensvragen en antwoorden op levensvragen. In het alledaagse leven is de relatie tussen vragen en antwoorden tamelijk eenvoudig. Het antwoord maakt de vraag overbodig. Het antwoord is sterker dan de vraag. Het heeft betrekking op een weten of een begrijpen van een objectiveerbare zaak: een zaak die je voor je neer kunt leggen, die je kunt beschouwen vanuit een distantie. Maar juist dat is allemaal anders bij levens¬vragen en de “antwoorden” die daarop worden gegeven. Levens¬vragen hebben betrekking op zin als de horizon van ons be¬staan. En dat is geen ding dat we van ons los kunnen maken en voor ons neer kunnen leggen. Het is een horizon die zich onttrekt aan ons weten en begrijpen. Dat houdt niet alleen in dat “antwoorden” op levensvragen een sterk metaforisch karak¬ter hebben. Het betekent ook dat de levensvragen sterker zijn dan de antwoorden. De antwoorden hebben niet de macht over de vraag. Ze kunnen de vraag niet smoren.

Religieuze tradities die adequaat met levensvragen omgaan zijn er niet om deze vragen op te lossen. Ze doen iets heel anders. Ze proberen met de uiteindelijke onoplosbaarheid van levens¬vragen verder te komen door ervaringen vast te houden en door te geven waarmee mensen hun levensvragen hebben kunnen opvan¬gen. Het gaat dan om ervaringen van mensen die in concrete situaties in hun levensvragen een verwijzing naar zin hebben ontdekt. Het gaat om erva¬ringen waarmee mensen zich in hun wereld kunnen oriënteren op uiteindelijke zin, ervaringen die de werkelijkheid in het perspectief van het uiteindelijke plaatsen, ervaringen die daarom worden doorgegeven in het eigen leven, van situatie naar situatie. Maar ook naar het leven van anderen, van context naar context. Deze ervaringen noem ik, in het kielzog van de psycholoog Jan van der Lans: kernervaringen. Een religieuze tradi¬tie heeft een instrumentarium ontwikkeld met behulp waarvan zulke ervaringen worden overgedragen: verhalen, riten, zelfs leerstellige uitspraken. Dit instrumentarium stelt mensen in staat in andere situaties de oriënterende betekenis van overgeleverde kernervaringen opnieuw te ontdekken in het opbouwen van zin. Dat is religie.

Op hun sterkst zijn religieuze tradities als ze de verlegen¬heid uithouden van mensen ten opzichte van het letterlijk uiteindelijk onbegrijpelijke van het bestaan, als ze met lege handen durven staan, de leegte opzoeken. Daarvoor is moed nodig. Een geniaal voorbeeld van deze kernervaring van moed om de leegte, de verlegenheid uit te houden is het boek Job. Een protest tegen de antwoorden van vrienden waarin je levensvraag wordt gedecodeerd tot een vraag naar weten, in plaats van een vraag die juist naar het niet-weten en het geheim transparant moet worden gemaakt . In dit boek is God de uitdrukking van het besef en van de ervaring dat wij dit geheim niet kunnen en zullen invullen, maar dat het autonoom is, anders. Juist niet het objectiveren (zoals in godsbeelden zo gemakkelijk gebeuren kan), maar het de-objectiveren. In deze tradities is ‘god’ uitdrukking van de weigering te objecti¬veren en uitdrukking voor de moed om de leegte aan te durven.

De confrontatie met de leegte is bepalend voor religieus handelen. Anders wordt dit handelen oneigenlijk. Subversiviteit, gevaar en angst behoren tot de belevingswereld van het religieuze. Er is iets merkwaardigs aan de hand met ons kenvermogen. Het is ingericht op betekenissen. Die kun je (letterlijk) begrijpen en beschrijven. Maar als je moet zeggen wat de werkelijkheid uiteindelijk is, dan werkt dat niet. Dat ontsnapt aan het begrip en het begrijpen van wetenschappen. En toch richten we ons ook daarop om ons handelen perspectief te geven. Dan hebben we het niet meer over wetenschap maar over wijsheid, niet meer over problemen maar over mysteries. Een benadering van religie vanuit de pragmatiek ziet religie als een constructie van de werkelijkheid vanuit het perspectief van uiteindelijke zin.

Deze handelingsgerichte benadering van religie kan putten uit twee belangrijke menswetenschappelijke theorieën. In de persoonlijkheidspsychologie is door Mead en Vygotsky onafhankelijk van elkaar onderzoek gedaan naar het ontstaan van de persoon. Hun conclusie komt neer op de stelling dat de persoon het resultaat is van de manier waarop die persoon door anderen wordt benaderd. Pregnant is dat in de ontwikkeling van het taalvermogen en van het denken. Vygotsky heeft onderzoek gedaan naar het in zichzelf praten van jonge kinderen en concludeert dat kinderen in zichzelf praten door de stemmen van anderen die tot hen gesproken hebben over te nemen. Hij concludeert verder dat het in zichzelf spreken ten grondslag ligt aan het vermogen te denken. Denken komt niet van binnenuit, maar van buitenaf. Het individu is het resultaat van interactie met anderen, is een sociaal gebeuren. Dit geldt ook voor de vorming van religie in de persoon .

De andere menswetenschappelijke theorie die een handelingstheoretisch perspectief op religie verder helpt is de zogenaamde structuratietheorie van de socioloog Anthony Giddens . Giddens richt zich in deze theorie op de manier waarop instituten en cultuur door mensen worden gebruikt en van de andere kant mensen aansturen. Daaraan ligt een klassiek debat in de sociologie ten grondslag: is de sociale omgeving van mensen (instituties, cultuur) een structuur die hun handelen bepaalt, of zijn mensen absoluut vrij om hun handelen zelf vorm te geven. Beide mogelijkheden zijn waar. Vergelijk de taal, laten we zeggen: het Nederlands. Dat is een instituut: het bestaat bij de gratie van regels en voorschriften die bepalen hoe ik me uitdruk. Zonder dat instituut kunnen we niet met elkaar communiceren. Een privé-taal bestaat niet! Dit instituut bestaat uit talloze regels. Zonder regels geen taal. Wie zondigt tegen die regels loopt het risico van onverstaanbaarheid en misverstand. Maar aan de andere kant kun je met behulp van die regels creatief zijn. Zelfs door regels naar je hand te zetten en bij te stellen. Zo is een levende taal een dynamisch proces waarin een structuur gevoed en gevormd wordt door het gebruik ervan. En daardoor ook verandert. Taal is structuur, maar ook transformatie! Deze dubbelheid drukt Giddens uit met het woord ‘structuratie’. Het inzicht dat hierin schuilt is van groot belang voor de plaats van tradities in een handelingsgerichte benadering van religie, en voor het omgaan met bronnen van een traditie. Het ontbreekt als verbindende theorie in het zojuist aangehaalde boek van Chris Hermans, maar sluit goed aan bij zijn betooglijn. Ik kom nog op deze theorie terug, omdat ze erg belangrijk is om zicht te krijgen op het omgaan met bronnen.

1.4 Naar een situationele sociale handelingstheorie van religie

Ik benader religie als een manier van handelen: het opbouwen van je leefwereld in het perspectief van zin. Dit handelen is niet individueel, maar sociaal. En het vindt steeds opnieuw plaats in de concrete omstandigheden van het leven, het is contextueel of situationeel. Het gaat me, met andere woorden, om een situationele sociale handelingstheorie. Om in een specifieke situatie een religieuze positie op te bouwen staat mensen een systeem van vijf deelhandelingen ter beschikking. Deze deelhandelingen zijn essentieel voor het situeren van omgaan met bronnen in een handelingsgerichte benadering van religie.

De eerste deelhandeling: gevoelig zijn
Hier gaat het over het vermogen in de situatie waarin je je bevindt de antennes uit te steken van de uiteindelijkheidsvragen van religie. Gevoeligheid is niet passief registreren van wat zich voordoet. Zo zit de menselijke waarneming niet in elkaar. De menselijke waarneming is actief! Gevoeligheid is de kunde om in je waarneming attent te zijn op bepaalde aspecten van de werkelijkheid. In het geval van religie: het appèl op uiteindelijkheid dat behoort bij de levensvragen die in religie aan de orde zijn.
Bijvoorbeeld specifiek ethische ervaringen, die betrekking hebben op het juiste handelen, als ervaringen van onrecht, of ervaringen met een appèlkarakter, het geweten dat zich meldt, of schuld, berouw en moed. Ervaringen die betrekking hebben op uiteindelijke zin zijn bijvoorbeeld ervaringen van diep geluk of rouw of van een fundamenteel gemis aan stabiliteit en zin. Dergelijke ervaringen vormen een lens waarmee je de situatie waarin je verkeert bekijkt en er de religieuze dimensie in zichtbaar maakt.

De tweede deelhandeling: persoonlijke waarden opsporen
Deze basishandeling heeft betrekking op het activeren van ervaringen die je al hebt opgedaan en die je als oriënterende ervaringen in je levensgeschiedenis bewaart. Niemand is ‘niks’! Iedereen heeft in het opzicht van zingeving leven achter zich waaruit hij of zij kan putten. In deze geschiedenis zijn veel ervaringen bewaard. Een aantal daarvan heeft een richtinggevende betekenis bij bepaalde thema’s. Zulke ervaringen kunnen alle kanten op gaan. Het kunnen ervaringen zijn van personen, van vakanties, van ruimtes waarin iets bijzonders gebeurde (de eigen kamer!), van een feest, muziek, noem maar op. Het gaat hier dus om persoonlijke kernervaringen binnen de context van het eigen levensverhaal.
Iedereen heeft de vaardigheid ontwikkeld zulke ervaringen op te slaan en van tijd tot tijd te activeren. Het dagboek is daarvan het voorbeeld bij uitstek. Maar er zijn nog andere vormen die meer in gebruik zijn. Kijk maar eens rond in de plaatsen waar mensen thuis zijn. Thuis zijn, wonen, is meer dan verblijven. Het is je vestigen op zo’n manier dat wat je waardevol vindt aanwezig en actief is. Waar mensen thuis zijn wemelt het van de voorwerpen of verwijzingen naar zulke belangrijke momenten. We moeten leren inzien dat dit soort herinneringen (in de persoonlijkheidspsychologie ‘waardegebieden’ genoemd ) een onderdeel vormen van de instrumenten waarmee iedereen in concrete situaties uiteindelijk perspectief zoekt en zin schept.

De derde deelhandeling: verbinden met waardegemeenschappen
Even bepalend als de waarden die iemand uit het domein van zijn persoonlijke geschiedenis kan inzetten, zijn de waarden uit de waardegemeenschappen. Mensen zijn geen individuen die op zichzelf staan. Het gereedschap met behulp waarvan mensen zin construeren houdt niet op bij de waarden die zijn opgeslagen in het persoonlijk levensverhaal. Mensen staan in gemeenschappen, ook al zijn deze verbanden in de context van de postmoderne samenleving vluchtiger en is een totale identificatie met een traditie niet meer vanzelfsprekend. Als je niet onmiddellijk en uitsluitend wilt denken aan de grote religieuze tradities van bijvoorbeeld christendom en islam kun je ook dichter bij huis blijven en denken aan het gezin, de sportclub, de familie, de vriendengroep, de klas, de school: gemeenschappen waarin waarden doorgegeven kunnen worden. Waardegemeenschappen geven ervaringen en inzichten door die mensen hebben geholpen om op een menswaardig verder te komen me de levensvragen die ze in hun context tegenkomen. Staan in deze traditie, of je voegen in deze gemeenschap betekent dan: je inzetten voor de herinnering van deze ervaringen en de situaties waarin ze betekenis hadden. En het betekent ook dat je uit deze herinnering leert putten op momenten dat dat nodig voor je is. Het gaat hier, net als in de vorige deelhandeling, om kernervaringen. Het verschil is dat die kernervaringen nu niet een individueel, maar een collectief karakter hebben. Daardoor gaat het niet om individuele herinneringen aan persoonlijke situaties, maar om de verbinding tussen mensen en collectieven. Dat kan een verbinding zijn via de herinnering. Maar het kan ook een verbinding zijn met andere contexten nu, zoals bijvoorbeeld in de solidariteit met mensen elders.

Om die kernervaringen over te dragen van de ene context naar de andere, hebben waardegemeenschappen – en zeker de religies – uitdrukkingsvormen ontwikkeld. Je kunt daarbij denken aan heilige teksten, aan riten, aan geloofsuitspraken en geloofsbelijdenissen, aan muziek, gebouwen en ambten. In deze derde deelhandeling probeer je via zulke communicatievormen de daarin besloten kernervaringen te ontdekken en toe te passen op de vragen in je eigen situatie. Het gaat daarbij trouwens niet om een enkele communicatievorm, maar om een netwerk van communicatievormen en kernervaringen dat zich in een religieuze traditie heeft gevormd. Een religie is niet een verzameling rariteiten, die als weetjes geleerd en gereproduceerd kunnen worden, maar een reactie op existentiële vragen.

De vierde deelhandeling: het opzetten van een ethische of levensbeschouwelijke redenering
Het uitvoeren van de deelhandelingen is geen droogzwemmen. Het voltrekt zich steeds in de context van concrete omstandigheden. De problematiek die daarin aan de orde is, vraagt om een standpunt. Het scheppen van zin gaat verder dan het verzamelen van waarden uit het persoonlijk levensverhaal en de waardegemeenschappen. In deze vierde deelhandeling maak je de stand van zaken op en ga je na wat deze waarden te betekenen hebben in het perspectief van de concrete problematiek van een situatie die in de les aan de orde is. De waarden worden afgewogen en in een ethische of levensbeschouwelijke redenering opgenomen, die tot een standpunt leidt dat met argumenten kan worden onderbouwd.

De vijfde deelhandeling: het trekken van consequenties
Hoewel het traject van de deelhandelingen is uitgemond in het standpunt dat in de vierde basishandeling is ontwikkeld, is het hele proces hiermee nog allerminst tot een einde gekomen. In deze vijfde deelhandeling gaat het om het vertalen van het standpunt naar feitelijk gedrag. Deze vertaling gaat niet één op één. Er zijn situaties waarin het beter is om je niet strikt en onverzettelijk aan je standpunt te houden. Je moet je in een situatie nu eenmaal strategisch opstellen en rekening houden met de belangen en macht van andere spelers op dat veld. Soms is het beter maar even je mond te houden. En in andere gevallen kun je door handig te opereren je standpunt in de praktijk brengen. En precies daarover gaat het in deze deelhandeling. Je interpreteert je situatie in termen van tegenkrachten en gunstige krachten. En je gaat daarmee strategisch om: sluit verbindingen die je eigen standpunt uiteindelijk het beste dienen en ervoor zorgen dat je niet met je standpunt ten onder gaat.

1.5 Het perspectief van situationele sociale handelingstheorie van religie op het omgaan met bronnen

Wat zijn religieuze bronnen in het perspectief van een handelingsgerichte benadering van religie? Bronnen stellen de handelende persoon in staat bij het opbouwen van een zingevingspositie kernervaringen te gebruiken. Deze kernervaringen verbinden de situatie waarin je je bevindt met situatie waarin die kernervaringen opgedaan zijn. Deze verbinding speelt op twee niveaus: persoonlijk en collectief. Er zijn twee soorten bronnen: persoonlijke en collectieve.

Persoonlijke bronnen betreffen de herinneringen die bepalend zijn in het persoonlijke levensverhaal. De herinnering verbindt mij met mijn persoonlijke kernervaringen en het herinneren zelf (als activiteit) tast naar de bruikbaarheid en de oriëntatiekracht van deze herinneringen. In deze bron verbind ik me met mezelf.
Als een andere persoon een van haar kernervaringen vertelt verbind ik me, al luisterend, met het levensverhaal van die andere persoon, door me te identificeren en me met mijn verbeeldingskracht het verhaal van de andere persoon voor te stellen. Naar verhalen luister je op een actieve manier: met behulp van je verbeelding vul je in. Met andere woorden: je maakt het verhaal van de ander mee (letterlijk). Luisteren is dan: jezelf betrekken in het verhaal dat je beluistert. Vertellen van kerngebeurtenissen uit het leven is een communicatieve handeling die personen zeer sterk kan verbinden.

Op collectief niveau gaat het in bronnen om verbinding met de collectieven waarin ik zelf leef, maar ook om verbinding met collectieven waarin ik niet leef. Die verbinding heeft dan in beide gevallen betrekking op mensen die nu tastbaar aanwezig zijn (synchroon), maar ook met mensen die er nu niet meer zijn maar een betekenis hebben gehad voor de vorming van het collectief (de traditie of waardegemeenschap) (diachroon). Bronnen verbinden me met gelijktijdigheid en ongelijktijdigheid in collectieven.

2. Het structuratief traject

2.1 Subjectiviteit en objectiviteit in het scheppen van zin

We benaderen in deze cursus het omgaan met bronnen vanuit het perspectief van een sociale, handelingsgerichte religietheorie. In dat verband gaat het om de betekenis van bronnen voor het construeren van zin in een specifieke context. Bronnen zijn daartoe wezenlijke instrumenten. Het sociale perspectief op zinconstructie betekent dat de persoon niet wordt gezien als een in zichzelf besloten subject. De persoon handelt in het sociale veld waarin hij leeft en is opgegroeid. Van anderen heeft hij de instrumenten waarmee hij zijn leefwereld opbouwt. Constructie van zin is natuurlijk een handeling van creativiteit, de schepping van een subject. Dat is de subjectieve kant van het handelen van de persoon. Maar de persoon krijgt ook van anderen het instrument aangereikt waarmee hij zin construeert. Dat is de objectieve kant. Die objectieve kant houdt in dat zin niet alleen maar creatief is en samenhangt met de situatie waarin je je bevindt en waarin je handelt. De instrumenten die worden aangereikt vallen niet met mijn handelen in mijn situatie samen, maar komen uit andere situaties naar me toe en maken mijn handelen mogelijk. Net als taal. Dit is een belangrijk gegeven dat vraagt om uitwerking als het om bronnen gaat. Het houdt namelijk in dat bronnen vertegenwoordigen dat zin niet alleen teruggaat op het scheppend werk van de individuele persoon, maar wordt aangereikt vanuit de sociale wereld van de persoon. De bron vertegenwoordigt dit moment van objectiviteit.

2.2 Objectiviteit en subjectiviteit op persoonlijk en collectief niveau

Een belangrijk punt in dit verband is dat de objectiviteit van bronnen zich niet beperkt tot de wereld van de anderen. Diezelfde objectiviteit tref ik in mijn situatie hier en nu ook aan vanuit mijn persoonlijke geschiedenis. Ook daarin zit een objectief moment. Dat heeft de vorm van de herinnering. In de herinnering komt een andere situatie die ik heb meegemaakt het hier en nu binnen. Ik herinner me de gebeurtenissen waarin ik een kernervaring beleefde. En die herinnering kan zo sterk zijn dat die gebeurtenissen de kernervaring tot leven brengen en tot een factor van oriëntatie maken. Wat zich voltrekt in de herinnering van de persoon heeft daarmee een analogie met wat zich voltrekt in het collectief: ervaringen van elders beïnvloeden en sturen het subjectieve moment van het scheppen van zin in het hier en nu. De objectieve kant die je dus aantreft zowel in de collectieve als in de persoonlijke bronnen voor het construeren van zin brengen continuïteit aan in tijd en ruimte. Daardoor is er een persoonlijke identiteit en een collectieve identiteit. Daardoor gaat de persoon niet op in het hier en nu. Daardoor is er een gemeenschap en niet alleen een vluchtige en toevallige samenloop van verbanden tussen handelende personen.

2.3 Traditionalisme, neotraditionalisme, posttraditionalisme

Maar deze medaille heeft ook een andere kant. Zoals de subjectiviteit van de zinconstructie de objectiviteit van overgedragen kernervaringen nodig heeft, zo hebben die overgedragen kernervaringen de creativiteit van het subject in het hier en nu nodig om een factor in zinconstructie te kunnen zijn! De objectiviteit van een kernervaring komt voort uit een concrete situatie in een hier en een nu. Die objectiviteit heeft een subjectief begin en heeft deze subjectieve impuls in een situatie met een hier en een nu steeds nodig om opnieuw een factor in een proces van zingeving te kunnen zijn. De objectiviteit wacht op de creativiteit van een subject om uit de sluimer gewekt te worden. Het subject kust de in objectiviteit gestolde kernervaring wakker precies op het moment dat het subject zich als zingever tot haar of zijn situatie gaat verhouden. Zingeven in een situatie is de muziek die de objectieve vorm van een kernervaring tot leven brengt en terugbrengt tot zijn oorspronkelijke betekenis.

Dit betekent dat een religieuze traditie zichzelf (als sociaal proces van zingeving in contexten) geweld aandoet als die traditie zich losmaakt van de subjectieve contexten van hier en nu. Wanneer een traditie zich afkeert van de noodzakelijke beweging naar nieuwe contexten van zinconstructie spreek ik van objectivisme. De koudwatervrees, of de preutsheid voor binding met contexten maakt de overgeleverde vorm tot een doel op zich, dat vooral niet bezoedeld mag worden door een nieuwe context. Een objectivistische traditie vraagt geen subjecten die die traditie nieuw leven en nieuwe vormen geven, maar conservatoren die een bestaande vorm tot het begin en eind van een traditie verklaren. Een beleving van traditie die de noodzaak van een inbedding in een subjectief en in hier en nu gepind moment wantrouwt en miskent noem ik traditionalisme. Aandacht voor religie die zich tot dit traditionalisme beperkt mist de kern en maakt van religie een museumstuk dat achter vitrines thuis hoort.

Dit traditionalisme heeft een nieuwe verschijningsvorm. Daarin wordt recht gedaan aan het maatschappelijke en culturele gegeven dat religie in meerdere tradities voorkomt, in pluriformiteit. Maar ook dan kan het traditionalistisch misverstaan van tradities weer terugkomen. De verschillende tradities die naast elkaar voorkomen worden dan gezien als evenzovele tradities die boven het hier en nu van situaties blijven hangen, afgeschermd van de veranderende invloed van de mensen die in hun situatie van de kernervaringen van een traditie gebruik maken, die kernervaringen open maken voor zin in hun situatie, die kernervaringen opnieuw ontdekken en op een nieuwe manier en in een nieuwe vorm uitdrukken, compleet met de trotse vingerafdruk van hun eigen geschiedenis die als waarmerk voor een geslaagde overdracht van zin de kwaliteit van de kernervaring uitdrukt, in plaats van bezoedelt. Neo-traditionalisme heeft oog voor de pluraliteit van traditie, maar niet voor de subjectiviteit en de verwikkeling in het hier en nu van een situatie waarvan een traditie leeft.

Ik bepleit een omgaan met traditie, en dus met bronnen, die deze traditionalistische kluis voorbij is: een post-traditionalisme waarin tradities weer in hun oerkracht worden gezien: de dynamiek van objectief en subjectief, van gevormde kernervaring samen met het construeren van zin in een situatie, waarin die situaties wordt verbonden met andere situaties. Dat vraagt om zicht op het proces waarin structuur (objectiviteit) en transformatie (subjectiviteit) elkaar oproepen en in dynamiek houden. Giddens noemt het samen voorkomen van structuur en transformatie: ‘structuratie’. Het proces daarbinnen beschrijf ik met de term ‘structuratief traject’.

2.4 Omgaan met bronnen: het structuratief traject

Structuratie is een dynamisch proces waarin objectiviteit en subjectiviteit alleen in elkaars perspectief bestaan en zo een beweging veroorzaken. In deze beweging veranderen vormen en ook de kernervaringen zelf die worden overgedragen. De kernervaringen worden op nieuwe manieren verstaan en in nieuwe samenhangen gebruikt. Zelf veranderen die kernervaringen ook weer de nieuwe situatie waarin ze weer tot even komen. Deze dynamiek heb ik voor ogen wanneer ik spreek van een structuratief traject . Ik onderscheid binnen dit traject zes stappen. In de loop van deze stappen wordt een objectieve vorm onderdeel van een constructie van zingeving in een situatie en vervolgens weer uitgedrukt en vanuit die situatie geobjectiveerd. De hoofdstructuur van dit structuratief traject is dus ‘object’ – ‘subjectivering (of contextualisering)’ – ‘objectivering’ – ‘object’ – etcetera.

Stap 1 Ontvangen
De eerste stap in het structuratietraject betreft het contact van het zingevend subject in diens situatie met een geobjectiveerde kernervaring. Natuurlijk moet er in die situatie een objectieve kernervaring van elders aanwezig zijn. Dat is een voorwaarde. Maar in deze eerste stap gaat het om nog net iets meer. Het gaat om een eerste stap van het handelend subject. Die neemt in deze eerste stap de geobjectiveerde kernervaring waar. Vanaf dat moment bestaat deze geobjectiveerde kernervaring voor het subject. Al is het nog zo latent. Dit waarnemen betreft iets waarvan het subject weet dat het niet louter van hem afhankelijk is. Daarom mag je de handeling van het subject met deze geobjectiveerde kernervaring in deze stap ‘ontvangen’ noemen.

Stap 2 Opnemen
De volgende stap wordt door het subject gezet wanneer de ontvangen geobjectiveerde kernervaring wordt opgenomen in het proces van zinconstructie. Het gaat nu nog niet om wat die kernervaring in de situatie waarin die wordt betrokken feitelijk bewerkt. Het gaat nu nog alleen om de bereidheid van het subject om vanuit de geobjectiveerde en overgeleverde kernervaring naar de eigen situatie te kijken. In die bereidheid wordt de geobjectiveerde kernervaring als het ware een lens.

Stap 3 Interpreteren
In de derde stap wordt de situatie geïnterpreteerd vanuit de geobjectiveerde kernervaring. Wat correspondeert in de situatie met de kernervaring? Deze interesse van het subject naar de betekenis van de kernervaring voor de situatie sluit aan bij de vorm van die kernervaring. De vorm van de kernervaring is er op toegerust om dit interpreteren mogelijk te maken. Een kenervaring wordt nooit sec overgeleverd. Een ervaring bestaat ook niet sec. Een ervaring is altijd onlosmakelijk ingebed in praktijken: aan praktijken van mensen is de betekenis van een ervaring te achterhalen. Daarom worden die praktijken naverteld (verhalen) of nagedaan (riten). De geobjectiveerde vorm van kernervaringen helpt om met die kernervaring te werken, te interpreteren. Dat is in deze stap aan de orde. In een doopritueel, bijvoorbeeld, wordt geïnterpreteerd wat het betekent dat een nieuwe mens lid wordt van een gemeenschap.

Stap 4 Beoordelen
Deze interpretatie is geen doel op zich. Het gaat erom dat de situatie vanuit de lens van het ritueel of het verhaal (de overgeleverde vorm van de kernervaring) wordt beoordeeld. De situatie wordt als het ware het overgeleverde verhaal in gebracht en verandert daarmee, komt in een netwerk van verbanden en verwijzingen dat er voorheen nog niet was. En dat netwerk van verbanden en verwijzingen dat in de overgeleverde vorm van de kernervaring bestaat waardeert de situatie die in dat netwerk wordt geplaatst: iets in de situatie van het zingevend subject is op een nieuwe manier aantrekkelijk of onaantrekkelijk, rechtvaardig of onrechtvaardig, waar of onwaar, etc. De situatie interpreteert trouwens ook de overgeleverde vorm. Die krijgt pas betekenis in de mate waarop die aansluit bij de situatie. Iets wat totaal naast de situatie staat en totaal vreemd is, kan geen betekenis hebben. Situatie en vorm interpreteren elkaar. Dit is de kern van het structuratietraject.

Stap 5 Resultaat uitdrukken
Wanneer de situatie en de overgeleverde vorm op elkaar zijn betrokken en elkaar hebben geïnterpreteerd (met elkaar in communicatie zijn geweest) is er een nieuwe betekenis ontstaan. Het subject kan ervaren hebben dat deze nieuwe betekenis een bijdrage is aan de zinconstructie in de situatie. Als dat zo is dan heeft het subject een nieuwe ervaring van een geslaagde zinconstructie gemaakt. Die ervaring mag dan niet vervluchtigen, maar vraagt erom vastgelegd te worden. Dit vastleggen is: objectiveren, uitdrukken.

Stap 6 Overdragen
Dit objectiveren is geen doel op zichzelf (dan zouden we vervallen in traditionalisme!) maar gericht op het overdragen van de geslaagde ervaring naar nieuwe situaties. Dat geldt in het persoonlijk leven, waarin de herinnering aan een geslaagde zinconstructie een ervaring is waarop nog kan worden teruggegrepen, die wordt gekoesterd, aanwezig blijft, om de zinpotentie ervan bij de hand te houden. In het persoonlijk leven verbindt de objectivering van een geslaagde zinconstructie in de herinnering de ene situatie van de persoon met de andere. Naar analogie van het persoonlijk levensverhaal geldt het objectiveren in het collectief van een traditie ook als het overdragen van een geslaagde ervaring van menselijkheid van de ene situatie naar de andere. Alleen: in het collectief zijn dat situaties van verschillende mensen. Dat kunnen dan situaties zijn van mensen die tegelijkertijd leven (synchroon). Dan wordt de geslaagde ervaring overgedragen van de ene plek naar de andere. Media lijken daarvoor te zijn uitgevonden! Maar dat kunnen ook situaties zijn van mensen die in verschillende tijden leven (diachroon). De geobjectiveerde vorm verbindt dan mensen door de tijd heen met elkaars construeren van zin. De uitgedrukte vorm verschilt van de vorm die het subject in stap 1 ontving. De nieuwe vorm van stap 6 is als het ware door de situatie heen gegaan, heeft het nieuwe vlees en bloed van een nieuwe situatie gekregen, en is daardoor bezield. Daarom is het van belang op te merken dat het structuratief traject geen cirkelstructuur kent, maar een spiraalstructuur. Een traditionalistische benadering van omgaan met bronnen komt niet verder dan een cirkelstructuur waarin uiteindelijk alles hetzelfde blijft, omdat subjectiviteit van de situatie geen bepalende maar slechts een toepassende rol wordt toegekend.

2.5 Mogelijkheden en valkuilen in een structuratief traject

Dynamiek versus verstarring
Dynamiek betekent deel hebben aan het oneindige proces van structuratie van een traditie door de bestaande vormen opnieuw te gebruiken en bij te stellen. In het persoonlijk leven betekent deze dynamiek het steeds opnieuw schrijven van het levensverhaal.
Verstarring treedt op wanneer de verbinding met de scheppende kracht van de handelende persoon in de context wordt geblokkeerd. De handelende persoon mag niet verder gaan dan het toepassen van vormen die onveranderd moeten blijven. Dit leidt zowel op collectief als op persoonlijk vlak tot blokkades die religie uitschakelen als handelingspotentieel.

Open toegang versus afgeschermde toegang tot bronnen
Soms worden bronnen afgeschermd en in de macht van enkelen, bijvoorbeeld specifieke ambten gelegd. De subjectiviteit en creativiteit van een groep mensen wordt daarmee monddood gemaakt. En daarmee wordt het structuratief traject beroofd van een wezenlijke levensader, en worden dus anderen beroofd van de creativiteit en zinconstructie van de mensen die monddood zijn gemaakt.

Bronnen kunnen in de plaats treden van kernervaringen. Ze worden dan van een middel een doel op zichzelf.

Miskenning van het vreemde en kritische dat in een bron aanwezig is kan gemakkelijk leiden tot stilleggen van de religieuze kernervaring die in de bron wordt aangeboden. Verbinding aangaan met een geobjectiveerde kernervaring betekent in dit verband dat je open staat voor het vreemde, het verschil, met de bron. De interpretatie van de geobjectiveerde kernervaring heeft twee kanten: wij interpreteren hier en nu een vorm die van elders komt, maar die vreemde vorm interpreteert ook ons hier en nu. Als je de andersheid van de geobjectiveerde vorm niet toelaat verabsoluteer je misschien wel het hier en nu. Dat is het tegenovergestelde van traditionalisme, maar dit tegenovergestelde bestaat vanwege dezelfde basisfout: het structuratief traject om zeep helpen door de polen (objectiviteit dan wel subjectiviteit; overgeleverde vorm dan wel de creativiteit in deze situatie hier en nu) uit elkaar te trekken en één van de polen te miskennen. Ben verschillig!