Thom GeurtsOLYMPUS DIGITAL CAMERA

1. Geschiedenis en tegengeschiedenis

Meer dan een miljoen Nederlanders bekeek ‘De grootste Nederlander aller tijden’. Ongeveer een kwart van de kijkdichtheid van een hemels belangrijke voetbalwedstrijd van het Nederlands elftal. Niet verkeerd voor een cultureel programma! Maar wat maakte het zo aantrekkelijk? Stemmen op kopstukken uit de nationale geschiedenis, juist op het moment dat nationale identiteit weer mag? Of het besef dat we het contact met onze nationale geschiedenis behoorlijk kwijt zijn geraakt? Of misschien vooral de verleiding om je eigen stem in het verleden terug te vinden of op het verleden te projecteren? Onze geschiedenis gaat niet aan ons vooraf, maar we maken hem zelf. Iedere tijd maakt zijn eigen geschiedenis door het tuintje van het verleden opnieuw aan te harken en te snoeien. Soms moet een boom gerooid worden. Wat we in het verleden nodig hebben zijn identificatiepunten die onze vragen en problemen van nu verankeren in de tijd, om er nu mee verder te komen. Vaak zoeken we in die identificatie bevestiging. Dan wordt onze geschiedenis een heimelijk maar wel zorgvuldig geselecteerd vloertje onder onze persoonlijke trots. Zo’n gereconstrueerd verleden is dan al snel een voorspel en een spannende overwinningsgeschiedenis met ons huidige ik als sluitstuk. De geschiedenis oordeelt en rechtvaardigt ons. Het is aantrekkelijk en gemakkelijk om via het levensverhaal van een grote Nederlander een fundament onder je zelfbeeld te leggen.

Dit identificatieproces van onze nationale geschiedenis heeft zijn parallel in het persoonlijk levensverhaal. Daar gebeurt hetzelfde. Je legt contact met ervaringen uit je verleden om je zelfbeeld te funderen. Je boort momenten aan in je persoonlijke levensgeschiedenis waarin je sterk was, waarin je moed genoeg had om vast te houden aan wat waardevol voor je is, waarin je gestreden hebt en gewonnen, waarin de gunstige karaktertrekken zich al aankondigden. Maar dan blijkt dat tegelijkertijd bepaalde gebeurtenissen bij voorkeur worden ‘vergeten’. Ze passen moeilijk bij het zelfbeeld dat we graag koesteren naar buiten presenteren. In de schrijver van dit levensverhaal schuilt een strenge censor. Die heeft het te stellen met gevaarlijke herinneringen die het opgepoetste blazoen van het ego besmeuren. Dat zijn juist de ervaringen waarin mislukking, verdriet en rouw zich melden. Niet in de eerste plaats de mislukking en de rouw die we een plek hebben gegeven in de opgang naar ons actuele zelf. Maar vooral de mislukking en de rouw die we geen plaats kunnen geven, maar die knagen. De ervaring van mislukking zelf, voordat we wisten dat het weer goed zou komen. In zulke herinneringen meldt zich onze persoonlijke tegengeschiedenis. Dat is een geschiedenis van nietigheden en van mislukkingen, van twijfel en van zwakte. Uiteindelijk is deze tegengeschiedenis het Waterloo van ons gekroonde ik dat over zijn wereld heerst.

2. Brekers in het levensverhaal

Soms zijn herinneringen brekers: ze passen niet in het plan dat we voor het leven ontwerpen. Ze doorbreken de bravoure waarmee we onze antwoorden op de grote vragen van het leven voor de dag halen. Ze onderbreken de overwinningsgeschiedenissen waarmee we ons omgeven. Iedereen kent zulke brekers. Bijvoorbeeld in ervaringen van onrecht, schuld, verdriet of genade. Je loopt tegen iets aan waar je woedend om wordt. Je slaat met je hand op tafel en roept uit dat je dit niet pikt. Met deze ervaring van onrecht is iets heel bijzonders aan de hand. Met deze ervaring overstijg je de gebeurtenissen waartussen je je bevindt. Je ligt niet verpletterd onder de werkelijkheid zoals je die om je heen meemaakt. Je hebt klaarblijkelijk een besef van een ‘andere’ werkelijkheid. Want in de ervaring van onrecht ligt besloten een opmerkelijk besef van wat ‘recht’ is. Zonder dat besef kun je eenvoudigweg onrecht niet ervaren. We leven blijkbaar van een ‘werkelijkheid’ die de feitelijke omstandigheden waarin we verkeren vooruit is. In de ervaring van onrecht breekt dat besef door. Deze ‘werkelijkheid’ is niet alleen het thuisland van ons besef van recht, maar ook van ons besef van zin, schoonheid, geluk. Noem maar op. Dit ‘heilige’ stelt ons in staat het tekort waar te nemen zonder er in onder te gaan. We leven van dit heilige.

Toch is het opmerkelijke van ervaringen van onrecht hiermee nog niet voldoende beschreven. We hebben gezegd: het besef van wat recht is klinkt in zulke ervaringen door. Maar je kunt ook zeggen: dit besef meldt zich. Let wel: wij melden het niet, het meldt zich aan ons. Het is zelf actief en neemt me te pakken. Je kunt het ervaren als een appèl, als een oproep om iets te doen. Je wordt aangesproken en uitgedaagd. Hier meldt zich een dimensie die we ervaren als een persoon die ons wakker schudt. Daarom is het allerminst vanzelfsprekend dat we het besef van recht, geluk, zin etc. louter als persoonlijke sentimenten beschrijven. Voor gelovigen breekt God hier door. Dan is het heilige ‘onderwerp’, en zijn wij zelf niet meer, maar ook niet minder, dan het ‘medewerkend voorwerp’. Het initiatief kantelt en blijkt buiten ons te liggen. Ons ik dat we zo graag zien als autonome bron van handelen wordt onderbroken. Zulke ervaringen zijn brekers. Ze gaan in tegen de draad van de opbouw van ons mooie imago. Als je je leven afstemt op zulke ervaringen maak je God mee. Kun je God eigenlijk wel buiten zulke ervaringen om bereiken?

3. Brekers van het heilige, heiligen als brekers

Sommige mensen hebben hun leven zo op ervaringen van dit breken afgestemd dat ze dat breken als het ware verpersoonlijken. Dat zijn heiligen. Het heilige wordt aan hun leven ervaarbaar: in hun levensverhaal, in momenten waarmee je je kunt identificeren. De krachtigste brekers zijn daarom de verhalen waarmee je je het makkelijkst kunt identificeren. De ‘gevaarlijkste’ heiligen zijn ook de menselijkste. In hun verhalen kun je jezelf teruglezen en het spoor vinden voor je eigen levensbeslissingen. Niet dat de inhoud van die momenten zich laat pakken en begrijpen. Het tegendeel is het geval. Die inhoud neemt jou te pakken, neemt initiatief, onderbreekt. Heiligen zijn brekers: hun geschiedenis met ervaringen van onrecht, en schuld, verlangen en genade breekt door in ons zelfgenoegzame ik.

De religieuze crisis waarin onze cultuur zich bevindt wortelt in het verlies aan inhoud en aan authenticiteit van de heilige. De heilige breekt niet meer. De heilige is getemd. De heilige is verfletst tot een cliché, een beeld waarvoor je kaarsjes kunt branden. Een devotie die in de vitrines van het Catherijne Convent thuis hoort. Veilig opgeborgen. Het bloed van het echte leven is er uit gehaald. De levensgeschiedenis van het breken is niet meer beschikbaar maar vergeten. Heiligheid is goedkoop geworden. Dat is heiligheid die geen leven kan dragen. Deze fletse heiligheid kan niet binden en motiveren, laat staan doorbreken. Wat overblijft is de heiligheid van de sport en het idool. Deze schijn-heiligheid is een spel, virtuele heiligheid die veilig afgesloten is van het echte leven. Van heiligheid die als een appèl en als een tegengeschiedenis op ons toekomt hebben we in de idolen het omgekeerde gemaakt: een product waarmee we het gulzige ik van onze consumptiecultuur kunnen laten domineren. Heiligheid is een onderdeel van de massaproductie van imago’s. De billboards tonen het imago van een gaaf lichaam, erotisch, gulzig. Dit lichaam is een statement van vitaliteit. En die vitaliteit is kracht. Kracht om te consumeren. Koopkracht. Waarmee we de wereld ervaren als werkelijkheid die toegeëigend moet worden in plaats van een werkelijkheid die zich toont als we maar even onze mond willen houden en onze handen op de rug leggen of vouwen. Dit imago is genadeloos. Het heilige is als tegengeschiedenis en als breker monddood. Deze lege heiligheid kan mensen niet meer motiveren om te leven maar slechts om te kopen.

4. Heiligen als brekers in de school

Als school de leerlingen leven wil leren moeten we weten wat menselijk leven is. We moeten weten wat de plaats is van onderbrekende ervaringen, van mislukking en van zwakte, van ziekte en geluk, van schuld en vreugde. Wat de manier waarop we een proefwerk teruggeven aan de leerling of een werkstuk bespreken. Waarom we ons inspannen om hun namen te leren en met zorg uit te spreken. Hoe we de leerlingen ontvangen in onze klassen en met collega’s bespreken. Daar zijn steeds technische zaken en regelingen bij aan de orde. Maar dat alleen is niet genoeg. We moeten weten wat menselijkheid is om te kunnen leren.

Hoe kunnen we daaraan bijdragen als we zelf geen plaats hebben voor ervaringen van onderbreken. Delen we zulke ervaringen uit onze eigen beroepsgeschiedenis met collega’s? Geven we elkaar met zulke ervaringen oriëntaties? Zonder inhoud en zonder levensgeschiedenissen verdwijnt de aandacht voor het heilige in de school en wordt aandacht voor de menswaardigheid van de leerling kwetsbaar. Wat doen we om geschiedenissen van heiligen, waarin het leven op het breken werd gericht, in school aandacht te geven? Kunnen we zonder de wijsheid van deze geschiedenissen waarin het bestaan wordt teruggevoerd op zijn kern. En waarin die kern op het spel staat. Hoe kun je op school instaan voor menswaardigheid en voor de ontwikkeling van jonge mensen als je niet van tijd tot tijd deze terugbuiging van het bestaan naar zijn eigen kwetsbaarheid meemaakt? We hebben de levensgeschiedenissen van brekers nodig om het heilige inhoud te kunnen geven en ons mee te kunnen identificeren. Niet omdat de strijd van hun leven zomaar gekopieerd kan worden in onze situaties. Wel voor zover we ons in hun intuïties kunnen verplaatsen en van daaruit onze school kunnen ontwikkelen.

Bij de jaarlijkse studiedag voor docenten levensbeschouwing van de Stichting Carmel College las bestuursvoorzitter Rene Albers drie fragmenten uit brieven van naamgevers van Carmel scholen: Dietrich Bonhoeffer, Titus Brandsma en Etty Hillesum. Het waren brieven die deze brekers schreven als gevangenen van het vernietigingssysteem van het nazisme, met de dood voor ogen. We kunnen ons de cel die Titus beschrijft zo goed voorstellen. En de schittering van de zon door het raam van een barak in Westerbork, waar Etty Hillesum dacht en schreef. Of het kerstpakket dat Dietrich Bonhoeffer rond de kerstdagen van 1944 van zijn ouders ontving in de dodencel, en waarvoor hij hen in een brief op 17 januari 1945 bedankt. Ondertussen vraagt hij maar meteen tandpasta, enkele boeken en wat koffiebonen. Ze hebben gekozen, alle drie. Hun plaats was in de vernietigingsmachine van het Derde Rijk. Ze hadden niets meer, geen toekomst in elk geval. Maar hun menselijkheid werd niet geknakt. Ze werden teruggeworpen beneden het niveau van menselijke waardigheid. Maar juist daar vonden ze aanknopingspunten om overeind te blijven. Voor een zacht woord. Voor een wijze raad. Voor ontroering, moed, trots, gedicht en gebed. Wat heb je nodig om mens te zijn? Wat is het minimum? In hun situatie ondergingen Bonhoeffer, Brandsma en Hillesum ervaringen van zin, geborgenheid in het mysterie en zelfs, je kunt het je bijna niet voorstellen, de genadige hand van God. Ervaringen van genade en vertrouwen in het bestaan zelf waren sterker dan de vernietiging.

Luisterend naar dergelijke levensverhalen zijn we zelf in staat ons levensverhaal beter te verstaan. En ons beroepsverhaal. En wat onderwijs uiteindelijk te betekenen heeft. Zonder gevoeligheid voor het heilige, als kwetsbare gevoeligheid en als gevoeligheid voor het kwetsbare, komen we niet dicht genoeg bij leerlingen. Maar Bonhoeffer, Brandsma en Hillesum hadden deze gevoeligheid niet uit de lucht geplukt. Ze hebben die sensibiliteit geleerd in het leven vóór de barak en de cel. In teksten, maar vooral in ontmoetingen met hun leraren die de levensgeschiedenissen van andere brekers voor hen ontsloten. Welke brekers leren wij aan onze leerlingen? Welke namen staan boven onze scholen?