PA170049Handelingstheoretisch perspectief op het begrip religie

 

Het begrip religie heeft zijn geschiedenis. Dat is geen autonome geschiedenis, maar een geschiedenis die samenhangt met de veranderende positie van het omgaan met het Uiteindelijke in de loop van de ontwikkeling van onze samenleving. ‘Religie’ fungeerde als een vangnet om uiteendrijvende en zelfs vijandige gemeenschappen en werkelijkheidsopvattingen bij elkaar te houden. Ten tijde van de godsdienstoorlogen in het Europa van de 16e en 17e eeuw werd religie een begrip dat probeerde het gezamenlijke van christelijke kerken onder hun diversiteit te leggen. Daarna fungeerde de term religie als poging om de godsdienstige tradities van Jodendom, Christendom en Islam te verbinden op een fundamenteler niveau (Lessing, Nathan der Weise (1779)). Toen de spiritualiteit van het oosten zich meldde werd religie de term die het gezamenlijke van theïstische en niet theïstische tradities uitdrukt.

De betekenis van het begrip religie ligt niet vast maar schuift op met het veranderen van de posities van religies in de context van degenen die dit begrip gebruiken. Maar in deze verschuiving van het begrip religie blijft vaak de blik gericht op de objectieve en structurele kant van religie, dus op ‘religies’. De vraag is nu of we de dynamiek van het begrip religie voldoende recht doen door het bij de verbinding van religies te laten, of dat we misschien nog een nieuwe stap moeten zetten. Misschien is er ook in onze context iets nieuws van religie aan het licht gekomen.

Bij deze laatste vraag moeten we de tweede achtergrond van de onduidelijkheid van de term religie betrekken. Die betreft de metamorfose (Borgman) of transformatie (Van de Donk) die religie doormaakt in de context van onze moderne samenleving. De ontwikkeling die Borgman en Van de Donk beschrijven, betreft niet zozeer een verandering aan de institutionele kant van religie, als wel een nieuwe geboorte op verrassende plekken en in nieuwe vormen, van het vermogen om het alledaagse leven te verbinden aan uiteindelijke zin. Misschien is het voor onze kenniskring van belang dat er een begrippenapparaat is waarmee we die nieuwe presentie van religie kunnen waarnemen.

Een derde achtergrond betreft de wijziging van de positie van religie in cultuur en samenleving zoals die in het kielzog van Weber is beschreven. Als we deze denkrichting volgen is niet meer zozeer de pluraliteit van religies het probleem dat om een oplossing vraagt, maar veeleer de spanning tussen de rationaliteitsvormen van techniek en economie enerzijds en de rationaliteitsvorm van waarden en religie anderzijds. Het probleem van het christendom in onze moderne samenleving is niet zozeer het christendom, maar vooral dat het een religie is en daarmee een maatschappelijke positie in de marge inneemt die met de motor van moderniteit op gespannen voet staat. Deze spanning vraagt om een aandacht die verder gaat dan de religies (die de objectieve, structurele en organisatorische kant van religie vertegenwoordigen) en doordringt tot wat religie als zodanig is. Nodig is een paradigmawisseling die ook de subjectieve en scheppende kant van religie recht doet.

Een nieuwe benadering van het begrip religie kan worden opgebouwd uit zes elementen.

In de eerste plaats zou een nieuwe benadering de verschuiving moeten verwerken van traditionalisme naar rationaliteitsvorm. Een traditionalistische benadering identificeert religie met de objectieve en structurele kant ervan. Religie is dan een overgeleverde grootheid die op zichzelf staat en door mensen enkel nog in nieuwe contexten toegepast hoeft te worden. In deze opvatting wordt religie gedefinieerd als een samenhangend geheel van geloofsuitspraken, riten, gebruiken en voorschriften die bestaan los van een context. Dat mensen in hun context ten grondslag liggen aan deze geloofsuitspraken, riten, gebruiken en voorschriften, blijft buiten beeld. En dat mensen het overgeleverde tegoed van deze tradities transformeren door het in de context van hun persoonlijke levensvragen te gebruiken evenzeer. Een religie is een traditie en die traditie staat vast. Deze fixatie van traditie is traditionalisme. De klassieke vorm van traditionalisme beperkt zich tot één enkele traditie. De neoklassiek vorm van dit traditionalisme verdisconteert het gegeven dat meerdere tradities tegelijkertijd in dezelfde context aanwezig zijn. Maar ook die meervoudige tradities kunnen als gefixeerde grootheden worden benaderd. In feite gebeurt dat maar al te vaak, bijvoorbeeld wanneer over een religieuze dialoog gesproken wordt die niet door mensen gevoerd wordt, maar door systemen met gestolde opvattingen. We hebben een nieuwe begripsbepaling nodig waarin religie niet meer wordt beperkt tot een gefixeerde traditie, maar een benadering is van de werkelijkheid om ons heen vanuit een eigen rationaliteit die afwijkt van de rationaliteit van bijvoorbeeld economie of van techniek. Kenmerkend voor een rationaliteitsvorm is dat die kan worden onderscheiden van de invulling en uitwerking ervan in een concrete religie. Kenmerkend is ook dat die rationaliteitsvorm kan worden verhelderd, toegelicht en uitgelegd en zelfs kan worden verdedigd wanneer ze niet wordt gerespecteerd vanuit andere rationaliteitsvormen. Wat kenmerkt de religieuze rationaliteitsvorm?

Het tweede element betreft de verschuiving van religie als een object waarover gedacht en geschreven wordt (materieel object) naar een invalshoek (formeel object). Het onderscheid tussen materieel object en formeel object komt uit de klassieke kentheorie. Een materieel object is het voorwerp waarop de aandacht zich richt. Het formeel object is de invalshoek van waaruit die aandacht wordt gericht. Zo kun je je vanuit het formeel object van de economische invalshoek richten op het verschijnsel religie. Maar je kunt je ook vanuit het formeel object van religie richten op economie als een materieel object. Het resultaat van je waarnemen is afhankelijk van de invalshoek die je inneemt, van de manier waarop je je instelt op de werkelijkheid om je heen. We kunnen de wereld waarin we bestaan niet benaderen zonder een instelling. Er is geen nul-instelling. Dat betekent dat er niets te zeggen is over een objectieve werkelijkheid die los van ons bestaat. Wij en de werkelijkheid waarin we bestaan vormen een eenheid van wederzijdse implicatie. Zou het mogelijk zijn om religie te beschrijven als een invalshoek, een manier van benaderen van de werkelijkheid? Bijvoorbeeld als de invalshoek die gericht is op de uiteindelijke zin van de werkelijkheid?

Het derde element van een nieuwe benadering van religie betreft de bepaling van religie als de invalshoek die betrekking heeft op uiteindelijke zin. Ik sluit hiermee aan bij de manier waarop bijvoorbeeld theologen als Paul Tillich, Mary Daly en Karl Rahner denken over de samenhang van religie en de vraag naar zin. De vraag naar zin is niet zomaar een vraag die mensen stellen. Het is de vraag die mensen zijn. We zijn in het alledaagse leven verwikkeld in de ‘kleine’ vragen die praktische oplossingen nodig hebben en ook ophouden te bestaan als die oplossingen er zijn. De meeste vragen verliezen hun zin als er een antwoord is. Meestal heeft het antwoord de macht over de vraag. Maar er zijn ook vragen die zich niet beperken tot de eigenschappen van dingen die bestaan, maar zich richten op het bestaan zelf. Zulke vragen zijn sterker dan antwoorden. Ze melden zich opnieuw bij elk antwoord dat we hebben. Deze vragen zijn vormen van de vraag naar uiteindelijke zin. Dat mensen de vraag naar uiteindelijke zin stellen betekent dat zij gericht zijn op uiteindelijke zin, aanwezig zijn bij zin. Maar: het is een aanwezigheid bij zin zonder over die zin te beschikken en zonder die te kunnen begrijpen. Het is een aanwezigheid bij uiteindelijke zin in de modus van de vraag. Religie is de onophoudelijke poging van mensen om hun bestaan te verbinden met uiteindelijke zin.

Het vierde element betreft de verschuiving van het begrip religie van feit (of een verzameling van feiten) naar handeling. Als het in religie gaat om het stellen van de vraag naar uiteindelijke zin, dan is dat geen afstandelijke vraag die vanuit de luwte wordt gesteld maar ook achterwege had kunnen blijven. Iemand die haar bestaan verbindt met uiteindelijke zin schouwt niet vanaf een tribuneplaats op het leven. Religie is leven, het is een manier van doen, een manier van handelen, waarin je de alledaagse werkelijkheid verbindt met wat uiteindelijk van belang is. Maar het gaat niet om een individuele handeling. Religie is een sociale handeling, zoals taal. Taal wordt gewekt doordat mensen elkaar aanspreken. Maar elke keer wanneer mensen elkaar aanspreken wordt een objectief geheel van regels en betekenissen geactiveerd dat spreker en luisteraar gemeenschappelijk hebben. En elke keer wordt dat geheel van regels gebruikt om in de situatie taal te scheppen, te communiceren en dus creatief te zijn. De structuurkant van de taal wordt door taal te gebruiken geactiveerd, getransformeerd en vernieuwd. Zo gaat dat ook in religie. Tradities of elementen uit tradities maken religieus handelen (verbinden van de actualiteit van de situatie met uiteindelijke zin) mogelijk, maar worden door deze handelingen ook veranderd. Buiten de handelingen zijn ze van geen betekenis.

Het vijfde element betreft de aanscherping van religieus handelen als een bijzondere vorm van betekenisconstructie. Sociaalpsychologisch onderzoek laat zien dat de werkelijkheid voor mensen een geconstrueerde werkelijkheid is en hoe dit construeren werkt als betekenisconstructie. Religieus handelen is ook betekenisconstructie maar dan in het perspectief van uiteindelijke zin. Deze specificatie maakt een leerzaam gesprek met psychologie en sociologie van betekenisconstructie mogelijk. De processen die betrekking hebben op betekenisconstructie zijn op een bijzondere wijze binnen de religieuze invalshoek aan de orde.

Het zesde element betreft de aanscherping van religieus handelen als verbindend handelen in context. Ik onderscheid drie contexten van religieus handelen. Deze contexten hebben hun eigen dynamiek en processen. De eerste context is de maatschappij. Het is de meest globale sociale context. In deze context gaat het om de verbinding van het perspectief van uiteindelijke zin met de andere rationaliteitsvormen en bijbehorende instituties van de samenleving, zoals die ontstaan zijn in het proces van differentiatie van de samenleving in relatief autonome sectoren. Deze differentiatie heeft direct gevolg voor de positie van religie in de samenleving. Terwijl ze zich losmaken uit de overkoepelende sfeer van de religie ontwikkelen deze sectoren een eigen, technische invalshoek of rationaliteitsvorm die hun voortgang doelgericht en efficiënt maakt. De sectoren maken zich daarmee ook los van de vraag naar menswaardigheid en uiteindelijke zin zoals die in de religieuze invalshoek gesteld worden. De vraag is nu hoe deze kwalitatieve vragen in de sectoren nog aan de orde kunnen komen en hoe de samenleving kan worden gericht op humaniteit. Is het nog mogelijk om op kwaliteit gerichte samenhang aan te brengen in een gedifferentieerde samenleving? De tweede context is het beroepenveld. In het beroep wordt de professionele rol ingevuld. De structuur van de beroepsrol wordt steeds sterker bepaald door de techniek en de economie van de betreffende beroepssector. De verbinding met uiteindelijke waarden wordt daarmee moeilijker, maar niet minder dringend. De derde context is de persoon. Dat is de meest specifieke sociale werkelijkheid. Daarbij gaat het om de vraag naar de ontwikkeling van de persoon, om de persoonlijke identiteit. Naarmate de maatschappelijke differentiatie verder gaat en de verstrakking toeneemt van de rollen die de persoon ter beschikking staan, is de ontwikkeling van identiteit complexer geworden. De ontwikkeling van een persoonlijke identiteit hangt samen met het vermogen om de werkelijkheid te waarderen. Iedere persoon beschikt over waardegebieden waarmee in de werkelijkheid oriëntatie wordt gevonden. Iedere persoon beschikt ook over een waarderingssysteem waarin de verschillende waardegebieden in een bepaald verband zijn geplaatst en waarin enkele waardegebieden de andere waardegebieden samenhang en perspectief geven. Deze waardegebieden kunnen een religieuze betekenis hebben. Ze oriënteren de identiteit van de persoon, en bepalen als rode draden diens levensverhaal.