De tijden zijn veranderd: meegaan of tegengaan?

///De tijden zijn veranderd: meegaan of tegengaan?

De tijden zijn veranderd: meegaan of tegengaan?

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Gesprek met Chris Hermans en Thom Geurts

Wilbert van Walstijn

De route naar Chris Hermans, hoogleraar empirische theologie aan de Nijmeegse Radboud Universiteit is een kruip-door-sluip-door langs talrijke Westlandse kassen. Aangekomen bij zijn huis in ’s-Gravenzande zetten Chris, collega Thom Geurts (godsdienstpedagoog) en ik zelf ons aan een stevige vierkante tafel. Na enig bijpraten over ditjes en datjes, en als uit de mokken de koffiegeur reuk- en smaakzin prikkelen, zetten we het gesprek in. We raken op stoom, vergeten de tijd, maar toch blijkt tijd en tijdgeest het terugkerend refrein te zijn in het lange gesprek. Op enig moment legt Chris Hermans daar ook de hand op en zegt: ‘Zet dat nou als kop boven het artikel: Het is al begonnen, merk je het nog niet? Uit de profeet Jesaja’. Hij vindt dat we niet zo tobberig moeten doen en meer oog moeten hebben voor de mogelijkheden van de tijdgeest. Volgens Thom moet je soms met de tijd meegaan om er tegenin te kunnen gaan.

Chris, hoe kijk jij aan tegen de opbrengst van het onderzoek? Is er iets dat je in het bijzonder is opgevallen?

Chris: De beeldvorming is dat het katholiek onderwijs inhoudelijk geheel ontzuild is. Er staat nog een structuur overeind maar het heeft helemaal niets meer met de katholieke identiteit van doen. Als je ziet wat in het primair en ook in het secundair onderwijs nog wordt gerapporteerd aan praktijken, dan heeft mij dat in positieve zin verbaasd. Het gaat dan niet alleen om vieringen, maar ook om bijbelverhalen die ze lezen en de wenselijkheid daarvan, dat heeft mij in positieve zin verrast. Minstens wordt dat ontzuilde beeld genuanceerd. Je moet zeggen dat de praktijken er nog staan: vieringen, verhalen lezen, ethische thema’s in de klas behandelen, sociale en charitatieve acties. Het zijn praktijken waaraan je de identiteit van de school kunt verbinden, die zijn nog volop in de school aanwezig.

Wat is het karakter van die praktijken. Zijn ze christelijk geëxpliciteerd?

Chris: Daar weten we uit het kwantitatieve onderzoek zoals hier gerapporteerd is niet zo heel veel van. Iets meer weten we uit de interviews die gehouden zijn, het kwalitatieve deel. De vieringen bijvoorbeeld zijn tamelijk open en algemeen van karakter, zeker als je let op de taal die wordt gebruikt. Als je me vraagt: ‘Komt God nog ter sprake?’ Dan zal bij heel veel vieringen God niet ter sprake komen.

Dat lijkt me nogal een flinke relativering van christelijke inspiratie!

Chris: Daar begint de discussie. Hoe moet je dat interpreteren? Je kunt het niet los zien van de ontwikkelingen van religie in onze samenleving en in het bijzonder hoe het katholieke bevolkingsdeel in onze samenleving zich ontwikkelt. Religie heeft een andere gestalte aangenomen. Heel simpel gezegd de autoriteit ligt niet buiten het individu, maar ligt binnen het individu. Dat noemen we individualisering. Er is ook sprake van deïnstitutionalisering. Religie wordt niet opgehangen aan instituties. Individuen maken als ware gebruik van instituties voor zover en slechts onder de optie dat ze het nodig hebben voor de eigen religieuze ontwikkeling. Er is nog een derde verschijnsel: ik noem het globalisering of pluralisering. Dat is dat je de eigen religieuze identiteit niet meer kunt bepalen zonder je te verhouden tot andere godsdiensten. Het pluralisme in de eigen omgang met religiositeit wordt daarbij ingesloten dus niet buitengesloten. De aanwezigheid van andere godsdiensten verontrust niet. Ze vormen ook bronnen om te zoeken naar de ontwikkeling van de eigen religieuze identiteit. Om dit pluralisme kun je niet heen.

Vervolgens moet je ook niet te veel vragen. Men wil zich wel aan dingen verbinden maar dat is voor de duur van zo’n viering of van zo’n schoolperiode. Daar moet je niet meer eisen aan stellen, want als je ze vraagt zich met huid en haar ergens aan te verbinden dan zullen ze dat niet willen.

Denken jullie dat katholiek onderwijs nog voldoende profilering heeft waardoor het in staat is iets voor de samenleving te betekenen als katholiek onderwijs?

Chris: Pas op! Je moet de gelaagdheid die in katholiciteit zit niet uit het oog verliezen. Ik onderscheid de volgende lagen. Ontwikkeling van waarden en normen is een eerste laag waar in het curriculum aandacht voor is. Daarbij kun je denken aan zaken als respect voor de ander, rechtvaardigheid, zorg voor de natuur. Dan is er de tweede laag van spiritualiteit. Evenals muzikale of mathematische intelligentie beschikken we over een spirituele intelligentie. De ontwikkeling daarvan vraagt ook aandacht. Daar zit nog een laag onder van de specifiek christelijke traditie met zijn verhalen, beelden en vieringen. En ook daarvan zeggen scholen dat ze er aandacht aan willen geven. Achter je vraag, zit een valkuil. Je moet niet voorop zetten: wat heeft de samenleving er aan. Zeker niet wanneer het idee van een maakbare samenleving erachter ligt. Kijk uit het onderwijs met een illusie op te zadelen.

Thom: Ik vind dat de bijdrage aan de samenleving moet liggen in de katholieke benadering van uiteindelijke waarden. Dan bedoel ik met katholiek niet een verzameling waarden die voor eeuwig vast zouden liggen en alleen maar hoeven worden toegepast in de situatie waarin je verkeert. Ik bedoel met katholiek dat je de werkelijkheid waarin je verkeert vertrouwt en dat je daarin aanknopingspunten vindt om waar het in de katholieke traditie om gaat opnieuw te ontdekken en vorm te geven. Geloven komt niet loodrecht van boven, maar evengoed van onderop. Dat is altijd een centraal punt geweest in de discussie tussen katholiek en protestant. De reformatie is niet sterk in aandacht voor wat in het geloof van mensen en hun ervaringen komt. Het is heel katholiek om juist dat niet te verwaarlozen! In feite betekent katholiek niets minder dan in je feitelijke context het uiteindelijke te ontdekken en dat te verbinden met de manier waarop anderen in je traditie dat verwoorden of verwoord hebben. We moeten de katholieke traditie dus opvatten als activiteit waarin mensen van plaats tot plaats en van tijd tot tijd hun geloof opnieuw ontdekken, uitdrukken en doorgeven. Traditie is dus niet zomaar een depositum, een vastliggend objectief geheel dat als het ware alleen maar afgetapt hoeft te worden.

Chris: Ik ga wel met jou mee maar ik formuleer het anders. Ik zeg gewoon, kijk naar deze tijd. Er is kennelijk een hele specifieke eigentijdse wijze waarop mensen religieus zijn. Dat moet je verbinden met sporen uit de katholieke traditie. Elke mens heeft in zich een ontvankelijkheid voor het geheim. In de ervaring van veel mensen blijven in de schepping zoals die zich aan hen voordoet, de sporen van God aanwezig. Preciezer nog: mensen blijven zoeken en nadenken of de samenleving is zoals God die bedoeld heeft. Ze dromen van een hemel op aarde, terwijl ze het kreunen van de schepping horen. Dat is volgens mij zo katholiek als het maar zijn kan.

Thom: Wat ik wel zie is dat scholen last hebben van een objectivistische benadering van katholicisme, die als een soort maat wordt gehanteerd. Een objectivistische benadering waarbij traditie wordt beperkt tot inhoud en die van buiten en van boven komt. De vrees voor wat in geloven van mensen van onderop komt, is helemaal niet katholiek, maar protestants.

Chris: Wij zijn ook protestantse katholieken. Wij zijn katholiek in ónze context en die is sterk protestants beïnvloed. Ik denk dat de problematiek waar jij op wijst een andere is. Dat is dat tot de jaren 60 het katholiek onderwijs de identiteit had uitbesteed aan de kerk. Wat de identiteit van de school was, was de identiteit van de kerk. Vanaf de schoolstrijd hadden wij als katholieken nooit ruzie, protestanten wel. Iedere protestant had zijn eigen interpretatie van Gods woord en daar kon je over discussiëren. Dat hadden wij niet. Het probleem van katholiek onderwijs sinds de jaren 60 is, dat de school zich een eigen katholieke identiteit moest gaan toeëigenen. Ik heb dat wel eens ‘een tweede emancipatie’ genoemd. Dat is moeilijk, omdat de tijdgeest het die scholen moeilijk maakt, want ze hebben te maken met de bekende verschijnselen van individualisering, deïnstitutionalisering en pluralisering.

Ik wil nog één ander ding zeggen over katholiciteit. Behalve het spoor van God volgen en open staan voor het geheim, zie ik ook in de nadruk op gemeenschap een typisch katholiek element. Geloven doe je niet alleen.

Inderdaad: als er één onderscheid is tussen protestanten en katholieken dan is het dat het kerkbegrip en de geloofsgemeenschap veel centraler staat in onze traditie dan bij de protestanten. Maar het onderzoek laat zien dat dat nu juist wordt losgelaten en dan druk ik me nog voorzichtig uit.

Chris: Nee, ik wil het idee dat je samen gelooft niet te snel met een bepaald beeld van kerk invullen. Er zijn net zoveel beelden van kerk als de breedte van het geloof. Henk Witte heeft in het begin van de jaren 90 aandacht gevraagd voor het onderscheid tussen katholiciteit als vorm (en dan heb je het over de katholieke kerk) en katholiciteit als norm (en dan heb je het over de breedte waarop de boodschap van Jezus Christus aan de wereld gegeven is). Op die volheid heeft de historische gestalte van de kerk geen monopolie.

Thom: Dat is precies wat ik probeerde aan te geven toen ik een wrijving wilde schetsen tussen dat inductieve proces dat zich in scholen voltrekt aan de ene kant en het objectivistisch geïnterpreteerde instituut aan de andere kant. Op het moment dat het instituut zich gaat manifesteren als normatief voor het inductieve proces maakt het dat inductieve proces stuk. Dat pikken scholen ook niet. Ik vond het heel opvallend dat je net zei dat de scholen in de jaren 60 de identiteit hebben uitbesteed aan de kerk. Ik denk dat de kerk het juist andersom ziet. Zij heeft haar zorg voor de identiteit uitbesteed aan de scholen zelf. Hier zit een grote frictie.

Ik hoor als kenmerken van katholiciteit: het spoor van God volgen, ontvankelijk zijn voor het geheim, nadruk op gemeenschap. Uit dit onderzoek blijkt dat sfeer voor ouders en leerlingen een belangrijk keuzemotief is. Kun je sfeer wel opeisen als onderdeel van katholieke identiteit?

Chris: De wijze waarop katholieken zich uitdrukken is ook anders dan 50 jaar geleden. Voor een deel duidt het woordje sfeer op een beleving die zich minder verankert aan de instituties. De verwoording drukt zich dan ook niet meer uit in traditionele termen. Ze drukken zich uit zoals geloof nu gestalte krijgt. Dat is nu eenmaal de gestalte van het geloof van katholieken in onze tijd. Voorts weten we uit onderzoek dat er een kloof zit tussen mensen die zich kerkelijk katholiek noemen en mensen zie zich cultureel katholiek noemen. Welnu onder de mensen die onze katholieke scholen bevolken zit een heel groot percentage mensen die zich nog wel in culturele zin katholiek noemen maar niet meer met katholiek in structurele zin. Die mensen zullen nog wel zeggen dat de katholieke sfeer hen raakt, daar voel ik mij bij thuis. Zo is kennelijk de katholieke school in deze tijd. Ik ben een empirisch onderzoeker. Ik heb geen normatieve opvattingen om de huidige tijd de maat te nemen. Deze mensen bevolken de katholieke scholen en zorg dan dat je een aanbod voor ze hebt.

Lijkt me toch moeilijk om het aanbod in de richting te buigen van het volgen van het spoor van God, gemeenschapsbeleving en dergelijke.

Chris: Natuurlijk is het de vraag wat voor processen je in een school op gang kunt brengen. Wat wil je hen bieden? Zeker is dat dit niet de normatieve idealen kunnen zijn van voor de jaren 60. Dat geeft frictie. Daarom zeg ik tegen katholiek onderwijs, ga vol in die tweede emancipatie staan. Ik wil het niet makkelijker voorstellen dan het is. Want het is in de huidige tijd moeilijk om over religie, kerk, hemel, God te communiceren.

Wat zouden scholen kunnen doen? Het grote probleem voor scholen ligt denk ik niet bij de vragers, de deelnemers. Het grote probleem in onze tijd ligt bij de aanbieders, bij de dragers van identiteit. Aan hen de opgave verhalen uit een traditie te kunnen vertalen naar deze tijd, zodanig dat ze in leerprocessen, in vieringen, in maatschappelijke acties als inspiratie door mensen aangevoeld kunnen worden. Voor die vertaalslag, is interpretatie nodig. Elke tijd heeft behoefte aan een nieuwe contextualisering. Elke tijd heeft nodig dat de Traditie met een hoofdletter, zeg maar heel simpel de boodschap van Jezus in de context van deze tijd kan worden verstaan. Op dit punt ligt het probleem. We hebben nood aan experts die een brug kunnen slaan. Waarom is er op onze scholen wel een expert voor ICT, maar niet iemand die identiteit in zijn portefeuille heeft. Ja, ze zijn er nog wel, maar over 10 jaar zijn ze er niet meer. Kijk nou niet alleen naar de leraar levensbeschouwing, maar faciliteer ook andere mensen. De docent geschiedenis bijvoorbeeld; geschiedenis blijkt het meest nabije vak voor het vak godsdienst/levensbeschouwing. In Nijmegen zien we dat studenten vaak twijfelen tussen theologie, religiewetenschappen en geschiedenis. Scholen en besturen moeten investeren en faciliteren op de noemer identiteitsontwikkeling.

Er is nood aan experise op het terrein van het vertalen van de traditie naar de hedendaagse context. Dat zou het speerpunt kunnen zijn voor de komende 5 jaar.

Discussie over identiteit is er al lang. Opvallend daarbij is dat de kernwoorden waaronder dit gebeurt steeds verschuiven. In 1971 boog de commissie Haarsma zich over ‘ de katholiciteit van de katholieke school’. Daarna komt het begrip ‘brede identiteit’ naar voren. Daar ben jij Chris zelf de geestelijk vader van. Vervolgens duikt het begrip spiritualiteit op. Nu hebben we het veelal over inspiratie. Kijk naar het NKSR-beleidsplan, kijk naar het onderzoek. Nu hebben we er een DVD over uitgebracht. Zien jullie een logische verschuiving?

Chris: Ik denk dat het gefaseerde bijdragen zijn aan die tweede emancipatie. Haarsma staat voor het probleem van de institutionele binding in een tijd waarin meer niet-katholieken de katholieke school bevolken. Hij zoekt naar wegen om die verhouding zodanig te maken dat de katholieke school haar eigen identiteit mag gaan zoeken. Hij zoekt ruimte voor andere religies en levensbeschouwingen. Het rapport van Haarsma is de neerslag van een institutionele worsteling in een context die cultureel al aan het veranderen was. Dan krijg je eind 80, begin 90 de visie dat het om een aanbod in de breedte van het onderwijs gaat. Dat heb ik met ‘brede identiteit’ willen uitdrukken. De protestanten hebben hetzelfde gedaan met hun ‘programschool’. Uitgangspunt was dat de grondslag van de school in de breedte van het aanbod van de school doorwerkt. De katholieke school doet een aanbod aan ieder die hierdoor aangesproken wordt. Eind 90 en begin 2000 komen achtereenvolgens de begrippen spiritualiteit en inspiratie op. Ik zie dit in eenzelfde historische lijn. Het is de beweging om als het ware de leraar niet alleen uit te dagen, maar ook het vertrouwen te geven: jij kunt het, jij hebt het, jij geeft het aan je leerlingen. Het gebeurt om het proces van bezieling ruimte te geven opdat de school haar eigen identiteit gaat waarnemen.

Thom: Die steeds dieper naar de kern van de context van een school gaat. Je voert dat wat in een school gebeurt steeds meer terug naar de kern van de school. Opvoeding, vorming, leren en dat in de relatie die dragend is voor het primair proces. De relatie tussen de leraar en de lerende, een asymmetrische relatie. Binnen die relatie vindt de kern van school-zijn plaats. Binnen die relatie neemt die leraar als het goed is zijn pedagogische verantwoordelijkheid. Het is in hoge mate een inductief proces. Het is een proces dat nog niet per se religieus is, maar daar wel voor openstaat. De beweging die ik zie in de lijn die Wilbert schetst, is een beweging die steeds meer naar die kern gaat en die kern ontsluit. Een aanknopingspunt biedt voor het ter sprake brengen van elementen uit de joods-christelijke traditie. Dat sluit heel goed aan.

Chris: Ik druk mij niet zo uit in woorden als kern. Dit is onze tijd! Dat mag je boven het interview zetten, een mooie zin uit Jesaja: ‘Het is al begonnen, merk je het nog niet?

Laten we nou niet te tobberig zijn. Laten we in onze tijd gestalte geven aan wat menszijn vanuit het perspectief van het evangelie kan zijn. In dialoog, in samenleven met andere religies. Daar is niks problematisch aan. Het geloof mag in elke tijd zijn wat de tijd vraagt. Dit is onze tijd, daar leven wij in.

Die tijd heeft wel zijn eigen kenmerken waar je op moet investeren, wil je daar vervolgens gestalte aan geven. Ik kom dan terug op twee zaken. Investeren in experts die een spirituele intelligentie hebben, die interpretatoren zijn van traditie naar deze tijd. Het tweede is, laat het individu niet alleen in zijn zoektocht. Individuen hebben verbindingen nodig met een collectief. Want identiteit van de school is een collectieve identiteit en daar zwemmen we wel een beetje tegen de tijdgeest in. Het proces van individualisering wat zich onmiskenbaar in onze tijd voltrekt, maakt het voor individuen weerbarstig om zich te binden aan het collectief.

Hoe zie jij dat dilemma Thom tussen meegaan met de tijd of tegen de tijdgeest ingaan?

Thom: Je moet altijd handelen vanuit de tijdgeest, juist om waar het nodig is er tegenin te kunnen gaan. Dat is soms nodig. Zo vind ik het heel belangrijk om tegen de teloorgang van de beroepstrots van leraren in te gaan. Ze moeten die weer terug krijgen. Dat is een vorm van geestelijke beloning, die ervaren wordt als een motiverend moment. Zeer opvallend vond ik in dit onderzoek dat leraren in het VO die een vakspecifieke opleiding hebben net zo hoog inzetten op de pedagogische setting van hun werk als leraren in het PO. We hebben hier een belangrijk aanknopingspunt voor kwaliteit van onderwijs, ook voor religieuze vorming en waardegericht leren. Als Chris spreekt over de nood aan experts, over investeren in personen dan wil ik dat vooral op de docenten richten. Leraren verwaarlozen zichzelf in hoge mate. Leraren zijn heel sterk geëngageerd bij het dienen van leerlingen maar ze verwaarlozen zichzelf. De positie en toerusting van de leraar moet versterkt worden.

Kunnen we de resultaten van dit onderzoek eens tegen het licht houden van het model van participerend leren? Chris, zie je dan belemmeringen of zie je juist kansen voor participerend leren?

Chris: De vraag is niet makkelijk te beantwoorden. Dat komt omdat het onderzoek niet over participerend leren gaat. Je kunt niet uit dit onderzoek conclusies trekken voor de al of niet haalbaarheid van participerend leren.

Ik beschouw het model van participerend leren als een antwoord op de tijdgeest, op trends die ook in dit onderzoek naar voren komen. Minder nadruk op aanbod, meer op expressie en individuele behoeften.

Chris: Ik kan wel een paar verbindingen leggen. Wat centraal staat in participerend leren is dat leren meer is dan het toeëigenen van leerinhouden die van buiten de persoon komen, louter intellectueel, toetsbaar, ontdaan van betrokkenheid van de leerling, wat hij daarbij voelt dat is niet van belang, dat wordt niet getoetst. Wie de leraar is, doet er ook niet toe. Het zet zich af tegen het denken over leren vanuit de metafoor van het computermodel. Een leerling wordt gezien als een ‘informatieverwerkingssysteem’. Wat participerend leren centraal zet is, dat het praktijken zijn en niet een soort losstaande kennisinhouden. Praktijken die altijd betrekking hebben hoe mensen in het leven staan, hoe ze met de werkelijkheid omgaan en dat is ook taal, dat is ook wiskunde, dat is ook geschiedenis. Dat zijn geen losstaande inhouden die gereproduceerd worden. Het gaat uiteindelijk om kennis voor het leven die de leerling in staat stelt met de werkelijkheid om te gaan. Daarvoor is betrokkenheid belangrijk. Het gevoel speelt bij dat proces een belangrijke rol. Je moet ook datgene wat je leert gaan zien als instrument, ‘tools’ om door het leven te gaan. Waar je mee om kunt gaan. Je krijgt greep op de werkelijkheid als je de stelling van Pythagoras hebt geleerd. Dat klinkt heel gek, maar eigenlijk gaat het daarom. Alles wat wij kinderen aanreiken is om later door het leven te kunnen gaan, een ‘way of life’. Toegepast op het terrein van identiteitsontwikkeling van leerlingen dan gaat het ook op de katholieke school om vorming van bezielde mensen die met deze inspiratie kunnen bijdragen aan een betere samenleving. Een mens die vanuit bepaalde waarden, normen, en deugden mee gestalte geeft aan de samenleving. Het onderzoek zegt dan, dat er heel wat praktijken in onze scholen voorkomen die daar de leerling voor toerusten. Dat is mooi, dat is goed.

Mogelijk is er toch een punt dat aandacht verdient. Je ziet dat kennisoverdracht als belangrijke taak voor het onderwijs wordt onderschreven. Leerlingen zien gedegen vakkennis als noodzakelijke voorwaarde voor inspirerend leraarschap. Tegelijk laat het onderzoek zien dat als het over religie gaat, kennisoverdracht nogal laag scoort. Wringt daar niet de schoen? Staat het participerend leren voldoende open voor dat wat wordt aangereikt van buitenaf?

Chris: Als het gaat over de doelen van religieuze vorming, dan stemmen ze in met het inleiden in de betekenis van de christelijke traditie. De leerlingen VO zitten in een twijfelgebied. Maar leraren VO en PO zijn positief. Aan louter informatieoverdracht over religie, die als gedistantieerde kennis wordt aangereikt is weinig behoefte. Ik kan het nog simpeler zeggen. Ze willen geen vak geestelijke stromingen. We kunnen het ook in het vak geschiedenis plaatsen als informatie over het christendom. Dat wil men niet. Het moet vormend zijn, maar wel in een multireligieus perspectief. Dat spoort met onze tijd.

Als je nu vraagt, maar hoe groot is de kennis van de traditie, van de verhalen dan zeg ik, ja op een aantal vlakken is die niet groot. Misschien heb je dan ook betere experts nodig, zowel op het terrein van spirituele intelligentie, kennis van de traditie en ook kennis van andere religies. Daar hebben we het al over gehad: de bepaling van je eigen identiteit in onze tijd kan niet meer zonder jezelf te verhouden tot de andere religies. Participerend leren probeert dus twee dingen te doen. Bemiddelen in wat de religies aanreiken aan verhalen, symbolen, rituelen e.d. Zie het als gereedschappen (‘tools’) om mens te kunnen worden, om je identiteit te kunnen ontwikkelen. Want we worden naakt geboren zonder te weten wie we zijn. Wij hebben geen onmiddellijke kennis van ons zelf, maar die krijgen we door met gereedschappen uit tradities (zoals verhalen) betekenis te geven aan de tijd waarin we geboren zijn. Dat vraagt om reflectie en interpretatie. Dit is het tweede aspect naast het toeëigenen van gereedschappen die ontleend worden aan de cultuur of religies.

Thom: Het gaat om de kritiek op participerend en activerend leren, zoals dat in jouw boek maar ook in producten die ikzelf heb ontwikkeld naar voren komt. De gedachte dat daarin kennis en ook sensibiliteit voor het geraakt worden betekenis verliezen vind ik ridicuul, zondermeer! De leerling wordt in een activerende setting benaderd, de leerling leert te handelen, te doen. En al doende leert de leerling. In grammaticale zin is de leerling dan het onderwerp: degene die de handeling uitvoert. Maar dat betekent helemaal niet dat de leerling daarmee ook noodzakelijk zijn ik aan de werkelijkheid oplegt en niet meer ontvankelijk is voor wat van buiten komt. Het tegenvoorbeeld komt uit religie! Religieuze tradities hebben een arsenaal van meditatieve technieken ontwikkeld waarvan mensen gebruik maken. Dat zijn dus ook handelingen die niet gepraktiseerd worden om het ik aan de werkelijkheid op te leggen, maar om precies het tegenovergestelde te bereiken: om je zelfgenoegzame ik te ontmaskeren en open te maken voor het Uiteindelijke waarop je ik het antwoord is. Om aan activerend leren de conclusie te verbinden dat kennis en ontvankelijkheid tekort worden gedaan, vind ik getuigen van een gebrekkige kennis van de hedendaagse didactische mogelijkheden en zelfs van wat er aan handelingen in meditatie en spiritualiteit is overgeleverd. Wat ik bijvoorbeeld bij auteurs Ilse Geerinck en Hans van den Bosch hierover lees, vind ik een miskenning van de moderne didactische kennis en inzichten. Natuurlijk zijn er reducties van activerend leren tot leren hoe je je ik handelend aan de werkelijkheid op kunt leggen. Maar de kritiek hierop is effectiever als ze eerst meegaat in de mogelijkheden van activerend leren.”

Chris: In het spiritueel vermogen waarover we beschikken zit van zichzelf dat je getroffen kunt worden door datgene wat je overstijgt. Daar zit een moment van passiviteit in, van ontvangen. Je begrijpt alle processen van spirituele vorming verkeerd als je denkt dat het alleen maar zelfexpressie kan zijn. Het gaat ook niet zo zeer om de kwantiteit. Is het niet belangrijker dat er één verhaal is dat een leerling raakt en hem/haar in het leven niet meer loslaat en bezieling geeft, dan kennis van vijftig verhalen of titels die de leerling niets zeggen. Wat baat het leerlingen als ze veel kennis hebben verworven, maar geen bezieling hebben gevonden?

2016-11-09T09:37:44+00:00Interviews|
MENU