Beroepsethiek

Beroepsethiek

EEN ANTWOORD OP DE IMPASSE VAN ETHIEK IN MODERNE GBEP0001SAMENLE­VIN­GEN?

Thom Geurts

0. Inleiding

Wie zich inspant om de contouren van een nieuw aandachtsveld in het beroepson­derwijs te tekenen ontkomt niet aan een reflectie op de maatschappelijke betekenis van dat nieuwe aandachtsveld. Vaak, te vaak, wordt deze maatschappelijke betekenis echter gereduceerd tot economische betekenis. Veranderingen in het beroepsonderwijs worden beoordeeld aan hun economische effecten. In deze bijdrage wil ik de maat­schappelijke beteke­nis niet tot de economie reduceren. Mij gaat het om de vraag naar de menselijkheid. In concreto: de vraag naar de betekenis van een nieuw aandachtsveld in het beroepsonderwijs voor de mense­lijkheid van de samenleving. Nog concreter: slaagt het nieuwe aandachtsveld erin om mensen zo op te leiden dat ze in hun beroep de invalshoek van de mense­lijk­heid een plaats kunnen geven?

Op zich is dat niet zo nieuw. Het modernise­ringsproces van onze samenleving heeft lange tijd in het teken van humanise­ring gestaan. Maar aan de andere kant is mijn invalshoek momenteel toch tegendraads. De economische sector versterkt haar greep op de ontwikkelingen in de samenle­ving. En juist in het economisch jargon komt de term humaniteit niet voor. Mensen worden daar gereduceerd tot productiefactor of consu­ment.

Ik zet in deze bijdrage drie stappen. Eerst plaats ik het plei­dooi voor Bedrijfsethi­sche vorming in het beroepsonderwijs in het stadium waarin de ontwikkeling van de moderne samenle­ving momenteel is beland. In de tweede stap oriënteer ik me op de mogelijkheden van ethiek in moderne samenlevingen. Op grond daarvan geef ik in de derde stap een voorstel voor het inhou­delijk kader van Bedrijfsethi­sche vorming.

1. De paradox van de moderne samenleving

In het voetspoor van Weber

[1] hebben maatschappijtheoretici de hypothese ontwik­keld van het moderniseringsproces[2]. Deze hypothese houdt in dat samenlevingen zich ontwikkelen en dat de motor van deze ontwikkeling de toenemende rationali­teit is. De verhouding van mensen tot de werkelijkheid zou steeds meer door gefundeerd inzicht in die werkelijkheid worden bepaald. Naarmate dit inzicht toeneemt is het resultaat van het hande­len van mensen ook steeds beter. Het is zeer de vraag of Weber met zijn hypothese een universeel model heeft willen presente­ren[3], maar voor de studie van de ontwikkeling van onze samen­leving wordt het grondschema van zijn moderniseringshypothese met veel vrucht gebruikt.

In de eerste stap van deze bijdrage wil ik twee gegevens inbrengen die helpen bij het bepalen van het maatschappelijk belang van Bedrijfsethische vorming. Ik wijs op de slinkende ruimte van rationaliteit in het ontwik­kelingsstadium waarin onze samenleving is terecht gekomen. Rationaliteit lijkt steeds meer te worden geredu­ceerd tot beheersingsrationali­teit. Tevens ga ik in op de preten­tie waarmee de Verlichting, als levensbeschouwelijk begeleider van het rationaliserings­proces, de maatschappelijke vooruitgang heeft geïnterpreteerd. Ik vraag me daarbij af wat er van die pretentie kan overblij­ven als we ons weten reduceren tot beheersingswe­ten.

1.1 Maximale beheersing en minimale kwaliteit

Pogingen om binnen de marktsector een sterkere positie voor ethische reflectie te creëeren voltrekken zich in de paradox­ale situatie waarin het moderniseringspro­ces van onze cultuur zich momenteel bevindt. Enerzijds is er een maximum aan be­drijfsmatige rationaliteit en beheersingsmogelijkheden binnen ondernemingen. Maar anderzijds is er een maximum aan irra­tionaliteit bij het streven naar humani­teit. Het probleem ligt daarbij niet alleen bij het vaststellen van de doelen, maar ook bij het gebrek aan sturingsmogelijkheden om die doelen te realiseren[4].

Gevolg van deze paradoxale situatie is dat de bedrijfsmatige rationaliteit van de econo­mische invalshoek steeds meer terrein wint en andere benade­ringen ver­dringt[5]. Op politiek niveau treft dit proces aller­eerst de europese sociaaldemocra­tie. Deze politieke traditie is altijd uitgegaan van de stuurbaarheid van de samen­leving. De smalle marges van de politiek zijn echter geen exclusief sociaaldemo­cratisch probleem. In feite is de politiek als zodanig in een impasse geraakt. Dat is een probleem voor alle politieke stromingen die zich binnen een parlementaire verhouding bevinden.

De vermindering van de mogelijkheden de samenleving te sturen is tegen de achtergrond van de massiviteit van de problemen een uitermate zorgelijke ontwikkeling. Ik wijs bijvoorbeeld op de noodzaak tot een brede maatschappelijke en bovennationale aanpak van het milieuprobleem. Lossen wij dat probleem niet op, dan lost het milieu ons wel op. Juist in dit probleemveld laat zich het conflict tussen een economische en op kwantita­tieve groei georiënteerde benadering enerzijds en anderzijds een op kwaliteit van leven gerichte benadering duidelijk voelen. Ik wijs verder op de noodzaak van een nieuwe orienta­tie op de wereldor­de. Als we er niet voor kiezen volken en genera­ties op de slachtbank van de economische vooruitgang te leggen zullen we ons moeten oriën­teren op een wereldorde die niet wordt gedicteerd door de wetmatigheden van de economie en het winstmaximaliseringsbe­ginsel, maar die wordt gestuurd door levensbeschou­welijke en ethische beginselen. Zowel als het gaat om de benadering van het milieuprobleem als wanneer het gaat om de kwestie van een nieuwe wereldorde moet worden vastgesteld dat de economische rationaliteit hier geen ori­ntatie kan geven. Het woord menselijkheid komt in het bereke­nende beheersingsweten van de economie niet eens voor.

1.2 Het drama van de Verlichting

Onder onze ogen voltrekt zich het drama van de Verlichting. Vanaf haar ontstaan had de Verlichting de pretentie een mense­lijke samenleving te vestigen. De utopieën van de renaissance durfden te dromen van een samenleving waarin mensen zich als mensen in hun volle waardigheid kunnen ontplooien. Maar het bleef een droom van een nergensland. Deze droom wordt in de Verlichting geoperationaliseerd. De gedroomde werkelijkheid is geen nergensland meer, maar toekomst. En het handelen van mensen kan erop worden gericht deze toekomst te realiseren. De samenleving is het resultaat van menselijk handelen. Wat mensen kunnen maken, kunnen ze ook veranderen en verbeteren. De samenleving kan onder het motto van humaniteit worden geplaatst.

Dit motto van de Verlichting verkeert momenteel echter in een impasse. Aan twee kanten is in de Verlichting een splitsing ontstaan[6]. Eerst is er binnen politieke oriëntaties de verde­ling tussen een linker en een rechterzij­de gekomen. De rech­terzijde claimt dat de beloofde humaniteit binnen de maat­schap­pelijke condities van het moment kan worden gerealiseerd. Dat is de positie van de liberale lijn. De linkerzijde presen­teert zich als een onbe­vre­digde Verlichting: de huidige maatscha­pelijke constellatie kan de humaniteit niet realiseren en moet grondig worden veran­derd. Dat is de positie van de socialistische lijn. Naast dit uiteengaan van stromin­gen in de verlichting is er nog een meer fundamentele split­sing van de rationaliteit zelf. Wat begonnen is als een op humaniteit gerichte bevrijdingsratio­na­liteit, is ontaard in een instru­mentele beheersingsrationali­teit. De veelbelovende en op kwaliteit gerichte substantiële rationaliteit wordt verdron­gen door een op kwantiteit gerichte partiële beheer­singsratio­naliteit zoals we die aantreffen in techniek en economie[7]. Voor Adorno en Horkheimer is het klas­sieke pleidooi voor rationali­teit het paard van Troje gebleken waarmee onderdruk­king en vernietiging is binnenge­haald[8]. Rationali­teit verliest in hun ogen de mogelijkheid om een menselijke samen­leving te oriënte­ren.

Postmoderne denkers koersen verder op dit inzicht[9]. De tijd van de grote verha­len, van de pretentie van de Verlichting, is in hun ogen voorbij. Wat overblijft is een kritiek op het geweld dat de rationaliteit de werkelijkheid aandoet. We moeten ophouden de werkelijkheid in het keurslijf van sluiten­de systemen te persen. Deze deductieve aanpak vernietigt het unieke. In plaats daarvan zouden we ervaring moeten richten op het unieke van het moment.

Ik stel twee vragen aan het adres van Adorno en de postmoder­nisten en eenieder die de orientatiemogelijkheden van rationa­liteit loslaat. Beide vragen zijn van grote betekenis voor de moge­lijkheden van ethiek in onze samenleving. De eerste vraag richt zich op de mogelijkheid van ervaringen van het unieke moment die los staat van een algemeen kader. Is de menselijke ervaring wel zo receptief inge­steld, dat los van een aprio­risch kader de werkelijkheid kan worden benaderd “zoals ze zelf is”? Valt het postmoderne pleidooi niet terug achter de transcendentale wending van de filosofie van Kant? Hebben we niet altijd een groter of kleiner verhaal tegen de achtergrond waarvan de unieke momenten worden opge­pakt? De tweede vraag richt zich op de politieke naïviteit van het pleidooi de grote verhalen te vergeten. Houdt het pleidooi van het postmo­dernis­me vol­doende rekening met de realiteit van het geweld van de econo­mie. Kunnen we dat geweld keren door de grote verhalen het zwijgen op te leggen. Als we dat doen, maken we het dan niet het grote verhaal bij uitstek, de ­machine van de econo­mie, sterker. Wie zal de economie dan nog contro­leren en sturen? De emancipatoi­re inzet van de Verlich­ting gaat niet verder zonder rationali­teit en grote verhalen. Verder komen we alleen wanneer we in staat zijn de economie op ratione­le gronden te sturen naar humaniteit.

1.3 Verzet tegen de marginalisering van de ethiek

De emancipatoire rationaliteit van de Verlichting verkeert in een impasse. Daar­mee is het hele moderniseringsproces in een crisis geraakt. Wat deze impasse in een hoopvol daglicht plaatst is dat mensen het niet nemen. Mensen geven hun vermo­gen ethisch naar de werkelijkheid te kijken en hun gedrag in vrijheid te bepalen niet zonder slag of stoot op.

De medische sector is bij uitstek een sector die meer en meer bepaald wordt door technisch en economisch beheersingsweten. Let wel. Op zich is dat allerminst dramatisch. Het medisch beheersingsweten stelt ons in staat de fysieke gezond­heid van mensen positief te beïnvloeden. Problemen ontstaan echter wanneer het beheersingsweten zich van humaniteitsdoelen losmaakt en een doel op zich wordt. Dat gebeurt wanneer binnen de medische sector economie en techniek de vorm en de doelen van de zorg gaan bepalen. Menselijkheid is geen term binnen het medisch weten. Als we moeten doen wat medisch kan, dan dreigt menselijkheid uit het beeld te raken.

Precies daartegen protesteren nu mensen die voor medische zorg verantwoordelijk zijn. Zij protesteren tegen de marginali­sering van de invalshoek waarin menselijk­heid centraal staat, tegen de dominantie van medische technologie en economie. Zij protesteren omdat ze mens zijn en de vrijheid opeisen om menselijkheid in hun handelen een rol te laten spelen. Dat protest vertaalt zich onder meer in een pleidooi voor verster­king van de positie van medische ethiek. Dat wijst dus niet zozeer op de sterke positie van ethiek in het medisch hande­len. Eerder is het een aanduiding van het tegenoverge­stelde.

Mensen zoeken naar modellen om het subversieve karakter van de ethische benadering vast te houden in hun functioneren binnen onze moderne samenle­ving. De vraag is echter in hoeverre op grond van de cultureel-maatschappelijke situatie van ethiek een vormingsconcept is op te bouwen met een rationele inhoude­lijke componenent.

2. Mogelijkheden van ethiek in een moderne samenleving

Tegen de achtergrond van fundamentele processen in cultuur en samenleving dient zich nu de vraag aan naar de mogelijkheden van ethiek in het modernise­ringsproces. In het voorgaande hebben we gewezen op de toenemende maatschap­pelijke druk op de kwalitatieve rationaliteit van de ethiek. Maar we werden tevens geconfronteerd met het verzet van mensen tegen de marginalisering van deze invalshoek. Het is zaak om nu na te denken over de mogelijkheden om in onze moderne samenleving een ethische benadering te ontwikkelen. Deze oriëntatie levert essentiële bouwstenen voor de bepaling van het inhoudelijk statuut van Bedrijfsethische vorming zoals we die in de volgende stap willen ontwikkelen.

Eerst beschrijf ik de eigen aard van de ethische benadering. Dan ga ik in op het differentiatieproces dat zich binnen de moder­nisering voltrekt en dat van groot belang is voor de verhou­ding tussen de ethische en de andere benade­ringen. Tenslotte geef ik drie ideaaltypische verhoudingen tussen ethiek en andere benaderingen.

2.1 De ethische benadering

De ethische benadering van de werkelijkheid kenmerkt zich door de vraag wat mensen redelijkerwijs moeten doen met het oog op het hoogste goed.

Ethiek is dus een reflectie op het handelen. Om precieser te zijn: een reflectie op het handelen die het handelen een samenhang geeft door het te richten op het hoogste goed. Mensen kunnen vanuit deze ethische invalshoek integratie aanbren­gen aan hun handelingen. Ethiek is integratief.

Van groot belang is dat ethische vragen ontstaan in een concrete situatie. Deze situatie wordt in het ethisch oordeel meegenomen[10]. Er is geen ethiek die los staat van concrete situaties. Dit betekent dat in het ethisch oordeel ook altijd het weten omtrent deze concrete situatie een rol speelt. Ethiek is contextueel.

Door de binding aan de context is ethiek wezenlijk inductief. Er is geen vastlig­gend deductief ethisch systeem van richtlij­nen en verboden dat los van de verkenning van de context antwoor­den kan geven op ethische vragen (die immers altijd al uit een context ontstaan). Ethiek heeft wezenlijk een sterke inductieve component.

Mensen drukken hun stempel op de ethiek. Juist omdat ethiek wezenlijk contextu­eel is en juist omdat er geen deductieve ethiek mogelijk is, is ethiek niet zomaar toepassing van richtlijnen en voorschriften. Mensen maken ethiek. Ethiek is afhankelijk van mensen. In die zin is ethiek democratisch.

Hoe is het nu met deze integrerende, contextuele, inductieve en democratische benadering gesteld binnen onze moderne samenleving?

2.2 De differentiatie van de samenleving

De impasse van ethiek in onze samenleving vindt haar achter­grond in wat men wel differentiatie of versplin­tering van de samenleving noemt. Deze differentiatie is een gevolg van het moderniseringsproces van onze samenleving. Modernisering betekent toename van rationaliteit. Deze toename van rationa­liteit is zichtbaar op het vlak van het weten en op het vlak van het handelen. In het weten zien we een procesmatige specialisering. We ontdekken steeds meer soorten wetmatigheden die bepalend zijn voor wat er gebeurt. Al deze wetmatigheden bergen de moge­lijkheid van een specialistisch kennisgebied in zich. Op het vlak van het handelen ontwikkelen we steeds nauwkeurigere routines. Deze routines worden ontwikkeld vanuit de specialistische kennis die een bepaalde maatschappelijke sector beheerst. In educa­tieve situaties is dat bijvoorbeeld de didaktiek. Het beroeps­matig hande­len van mensen in de educatieve sector wordt steeds meer bepaald door educatie­ve routines. Als dezelfde mensen van hun werk naar huis gaan volgen ze ver­keerstechnische routines etc. Al deze routines behoren bij een bepaalde maatschap­pelijke sector. En al deze maatschappelijke sectoren laten zich steeds minder in hun ontwikkeling gelegen liggen van andere sectoren. Zo werkt de differentiatie. Dit proces leidt tot versplinte­ring van de samenleving.

Deze versplintering treft ethiek in het hart. Want eigen aan de ethische invalshoek is juist haar integrerend karakter. Ethiek geeft mensen mogelijk­heden hun handelen samen­hang te geven. De ethiek is inge­steld op deze samen­hang. Juist dat maakt in een gedifferentieerde samenleving de ethische invals­hoek een vreemde eend in de bijt. De ethiek wordt steeds minder belang­rijk binnen het geheel van afwegin­gen die bepa­lend zijn voor de ontwikkeling van een maatschap­pelijke sector.

Het gaat in het vervolg om de vraag hoe de ethische invalshoek in de verschillen­de maatschappelijke sectoren kan worden ingebracht zo, dat ethiek haar eigen zeggenskracht kan ontwik­kelen.

2.3 Drie ideaaltypische modellen voor de verhouding vN de ethische en de andere benaderingen

De paradox van het moderniseringsroces en de daarmee samenhan­gende impasse van de ethiek heb ik tegen de achtergrond van de differentiatie van de moderne samenleving geplaatst. Het differentiatieproces levert drie ideaaltypische modellen op voor de verhouding van de ethische en andere invalshoeken. Om zicht te krijgen op mogelijkheden de impasse van de ethiek te doorbreken en om daardoor de maat­schappelijke betekenis van Bedrijfsethische vorming op het spoor te komen worden deze model­len hier kort beschreven.

2.3.1 Ethisch integralisme

Het eerste model is integralistisch. Hier krijgt ethiek binnen beslissingsprocedures alle ruimte. Andere invalshoeken worden daarvoor opgeofferd. De ethiek wordt in dit model bovendien opgevat als een vaststaand en deductief systeem van richtlij­nen en verboden. Ethiek stelt zich hier op buiten de maat­schap­pelijke werke­lijkheid waarin zich ethische problemen voordoen. Het ethisch antwoord is er al, voordat het probleem ontstaat. Ethiek is dan niet alleen niet contextueel, maar bovendien ondemocra­tisch. Mensen kunnen aan deze ethiek niets bijdragen. Ze mogen deze ethiek alleen toepassen. Dit ethisch integralisme vernie­tigt ethiek. Voordeel van dit model is natuur­lijk wel dat het mensen zeker­heid en houvast geeft in een samenleving die orientatie mist. Vraag is echter wat dit voor zeker­heid en houvast is, als de menselijke vrij­heid zo wordt miskent en als ethiek zo naast de maat­schappe­lijke werkelijkheid wordt geplaatst. De ethiek wordt opgeof­ferd om een bepaalde moraal te redden.

2.3.2 Ontkenning van de ethiek

Het tweede model vervalt in het andere uiterste. In dit model krijgt de benadering die kenmerkend is voor een bepaalde sector alle ruimte, ten koste van de verbin­dende functie van de ethiek. De ethiek wordt in dit tweede model volkomen gemarginali­seerd. Zo gauw zich in een bepaalde samenhang een ethisch probleem voordoet reageren mensen binnen dit tweede model door het te reduceren tot een pro­bleem dat ze met behulp van de kwantitatie­ve invals­hoek van de betref­fende maat­schap­pelijke sector kunnen oplossen.

Ook in dit model komt de menselij­ke vrijheid om ethische standpun­ten in te nemen onder druk te staan. De menselijkheid verdwijnt uit het perspectief.

2.3.3 Kritische coördinatie

Het derde model houdt de spanning vol tussen de ethische en de andere benade­ringswijzen, die in de twee voorgaande modellen werd opgelost door een van de twee polen te ontkennen. Dit derde model geeft een afstemming en een samen­wer­king van de ethi­sche en de andere invalshoeken in een ethische beslis­singspro­cedu­re en wel zo dat recht wordt gedaan aan de eigen aard van beide invalshoe­ken. Omdat daarmee de kwantitatieve beslissingsroutines worden betrokken op de kwalitatieve invalshoek van de ethiek kan gesproken worden van een subver­sieve of kritische coördina­tie.

Dit model geeft ethiek aansluiting bij de maatschappelijke differentiatie die kenmerkend is voor onze context. De aan­sluiting bij het differentiatieproces houdt niet in dat ethiek op een zijspoor wordt gemanoevreerd. De postmoderne positie van nihilisme met betrekking tot de ethische invals­hoek wordt afgewezen. Het pleidooi om aan de ethische invals­hoek vast te houden betekent anderzijds binnen dit model niet een terugval in het premoderne ethisch integralisme. In een moderne samen­leving ontleent ethiek haar waarde aan haar betrokkenheid op de concrete context.

Het slagen van dit model staat of valt met het vermogen van de ethiek om zich te rationaliseren. Pas op grond van een ratio­ne­le benadering kan ethiek een rol spelen in beslissingsproce­du­res binnen de moderne samenleving. Dat betekent niet dat de ethische benadering opgeofferd wordt aan de kwantitatieve rationaliteit. Ook kwalitiatieve benaderingen als de ethisxche hebben een eigen rationaliteit. Rationalisering van de ethiek houdt in dat mensen over expliciete helderheid beschikken over de eigen aard van de ethische benadering en over de ethische beslis­singsprocedures waarin de relatie met andere benaderin­gen wordt gelegd. Rationalisering houdt tevens in dat mensen beschikken over het vermogen deel te nemen aan de argumenta­tieve toets van ethische beslissingen.

Hoe kan vanuit dit model bedrijfsethiek worden gesituee­erd?

3. Het inhoudelijk kader van Bedrijfsethische vorming

Op grond van de schets van de paradoxale situatie van onze moderne samenle­ving en op grond van de keuze voor het model van de kritische coördinatie ga ik in de derde stap van deze bijdrage in op het inhoudelijk statuut van Bedrijfsethi­sche vorming. Door dat statuut af te leiden van het model van de kritische coördinatie kan ik vasthouden aan de mogelijkheden om met behulp van ethiek in onze moderne samenleving op te komen voor humaniteit.

3.1 Het statuut van beroepsethiek binnen de marktsector

De kwalitatieve invalshoek van de ethiek zal het model van de kritische coördina­tie moeten benutten om bij te dragen aan de sturing in de diverse maatschappelij­ke sectoren. Centraal staat het vermogen de ethische invalshoek op een juiste manier te verbinden met andere invalshoeken. Juist binnen de economi­sche sector is dat een belang­rijke opening. De economische sector beheerst in toenemende mate de beslissingen in andere sectoren. Wanneer via het model van de kritische coördinatie beslissingen binnen de economi­sche sector zouden kunnen worden verbonden met de ethische invals­hoek, dan zou daarvan een uitstralingseffect kunnen uitgaan naar andere maatschappelijke sectoren.

Wanneer met behulp van het model van de kritische correlatie de logische problemen zijn opgelost die opkomen wanneer twee totaal verschillende invalhoe­ken moeten convergeren, dan doemen vervolgens problemen op van bedrijfsorga­nisatorische aard. De centrale vraag daarbij is in hoeverre bedrijven feitelijk aan de ethische invalshoek tegemoet kunnen komen. Het is bepaald niet ondenk­baar dat bedrijven wanneer ze door de (economische) omstandig­heden een substantieel economisch belang moeten afwegen tegen een ethisch waarde, aan het economi­sche belang de voorrang geven. Dat is bijvoorbeeld het geval als het voortbestaan van het bedrijf in het spel komt. Maar het speelt ook al eerder, wanneer een bedrijf strikt aan het winstmaximalisatiebeginsel vasthoudt. De vraag is simpel in hoeverre een marktgerichte onderneming het zich vanwege het concurrentiebegin­sel kan permiteren de volle ruimte te geven aan ethische reflectie.

Een ander organisatorisch probleem ontstaat in de bedrijven ten aanzien van het openbare karakter van de ethische besluit­vorming. De vraag is wie in feite aan dit debat deelnemen en wie het gewicht van de argumenten toetst. Het is de vraag hoe het ethisch debat zich verhoudt t.o.v. niet democratisch ingerichte beleidslij­nen binnen ondernemingen.

3.2 De inhoud van bedrijfsethische vorming

Als het er in de bedrijven om gaat het model van de kritische coördinatie te laten functioneren, dan gaat het er in de beroepsopleidingen om mensen met het oog hierop te professio­naliseren. Aan deze uitgangspunten kan het inhoudelijk kader van Bedrijfsethische vorming worden ontleend.

Het centrale doel van Bedrijfsethische vorming is het leren met betrekking tot de coördinatie van ethische en andere invalshoeken. Daartoe is in de eerste plaats vereist het vermogen de ethi­sche invalshoek te typeren. Ook moeten mensen in staat zijn vraagstuk­ken die relevant zijn voor de ethische benade­ring te herken­nen. Van groot belang is verder het vermo­gen om het verschil tussen de ethische en de andere invalshoe­ken te beschrijven. Vervol­gens moeten mensen over kennis en inzicht beschikken met betrekking tot ethische visies. Naast dit alles is voor de professiona­liteit van functionaris­sen in het omgaan met ethische dimensie van hun vak van belang het vermogen deel te nemen aan ethische argu­mentatie.

Pas als deze eindtermen zijn gehaald kan bedrijfsethische vorming bijdragen aan het prudente midden tussen een integra­listische en een reductionistische ethiek. Pas dan is be­drijfs­ethische vorming een operationalisering van het kwalita­tie-emancipatorische beginsel van de Verlichting. Zo kunnen meer mensen mondig worden op ethisch gebied en binnen hun beroeps­matig handelen.

De grote belofte van bedrijfse­thiek bestaat uit het bij elkaar brengen van commu­nicatief-emancipa­toire rationaliteit en de instrumen­taele rationali­teit om zo een bijdrage te leveren aan het oplossen van de paradox van het moderniseringsproces in onze samenleving. Als deze poging mislukt, laat het dan in elk geval niet aan het onderwijs liggen. Laat het dan maar aan de incompati­biliteit van be­drijfsleven en ethiek liggen. Dan weten we in ek geval voor welke keuze we staan.


[1]. M. WEBER, Wirtschaft und Gesellschaft, Tübingen, 1976.

[2]. N. ELIAS, Het civilisatieproces, Utrecht, Antwerpen, 1976; J. HABERMAS, Theorie des kommunikativen Handelns, Bd. I-II, Frankfurt, 1982.

[3]. D. PEUKERT, Max Webers Diagnose der Moderne, Göttingen, 1989.

[4]. H. PEUKERT, Filosofische kritiek op de moderne tijd, in: Concilium 28(1992)nr. 6, blz. 22-29.

[5]. Habermas spreekt in dit verband zelfs van kolonisering vanuit de economie (o.c.).

[6]. W. OELMüLLER, Die unbefriedigte Aufklärung, Mainz, 1969.

[7]. Cfr. K. MANNHEIM,

[8]. Th. ADORNO, M. HORKHEIMER, Dialektik der Aufklärung,

[9]. Cfr. F. LYOTARD,

[10]. C.HERMANS, Morele vorming, Kampen, 1986, blz. 15-65.

MENU