Rasit Bal en Thom Geurts over religie

/, Interviews, Islam en Moderniteit, Waarden en Modernisering/Rasit Bal en Thom Geurts over religie

Rasit Bal en Thom Geurts over religie

Een dubbelinterview

 

Onderstaande interviews vormen een tweeluik. Ze zijn gepubliceerd in het vaktijdschrift Narthex. In het eerste interview bevraagt Thom Geurts zijn collega Rasit Bal. In het tweede interview zijn de rollen omgedraaid. Beide interviews vonden plaats binnen de minor levensbeschouwing van de lerarenopleiding van Inholland in Amstelveen. De studenten maakten zo kennis met de vraagtechniek van levensbeschouwelijke interviews. Beide interviews laten zien dat levensbeschouwing niet beperkt is tot de vastliggende levensbeschouwelijke tradities, maar in de eerste plaats onderdeel is van levende verhalen.

 

 

Reizen met de islam

Uit het levensverhaal van Rasit Bal

 

 

Als het waar is dat je identiteit niet vast ligt in een onveranderlijke vorm, en niet bestaat uit één stem die zich ononderbroken laat horen,
als het waar is dat identiteit een verhaal is dat steeds opnieuw hernomen moet worden omdat het mee opschuift in de veranderingen die je meemaakt,
als het waar is dat je identiteit je levensverhaal is, dat je steeds opnieuw vertelt en verzamelt uit de ervaringen van je leven,
als het waar is dat diep in je identiteit het vermogen werkt dat opnieuw verbindt wat losgeraakt is,
is het dan ook waar dat je levensverhaal het verhaal is van een reis? Een tocht van situatie naar situatie waarin soms heel weinig hetzelfde blijft?
En is het dan ook waar dat je reisgenoten kunt vinden door je levensverhaal te delen?
Stop dan om bij ‘reis’ te denken aan de gepolijste, ongevaarlijke en geprogrammeerde glijbanen van de toeristenindustrie: gemakkelijk, ontspannend en goedkoop, gedekt door ANVR, klachtenregelingen en reisverzekeringen. Stop dan te denken aan reizen die noodzakelijk terugkomen op de vertrekplaats. De levensreis is gevaarlijk en scheurt verbindingen af. Maar het delen van levensverhalen verbindt.

 

Rasit Bal is voorzitter van het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO), een samenwerkingsverband tussen 380 moskeeën en 10 moskeekoepels dat de belangen van moslims bij de Nederlandse overheid en politiek behartigt. Hij was tot voor kort docent en coördinator van de imam-opleiding van Inholland en docent voor de lerarenopleidingen voor Godsdienst/levensbeschouwing en Islamgodsdienst van Inholland. Hij is promovendus aan de universiteit van Amsterdam. Hij is reiziger.

 

 

 

– Was je zenuwachtig?

 

Nee. Dat was het niet. Ik was verdrietig. Diep verdrietig. ’s Morgens reden we weg. Rond tien uur. Ik hoor nog de geluiden van dat uur van de dag in ons dorp. Ook al is het 38 jaar geleden. Ik was veertien. Toen we wegreden keek ik door de achterruit van de Ford Transit. Ik zag mijn vriend op de weg staan zwaaien. Hij werd kleiner en kleiner. Veertien jaar waren we samen opgegroeid in Dereköy. Zo heette ons dorp toen nog. Later is dat Derebagi geworden, alles verandert. Een afgelegen bergdorpje op honderd kilometer van Kaiseri. Ik voelde me intens verdrietig. Verlaten. Losgerukt uit mijn lieve vertrouwde leven. Het beeld van mijn steeds kleiner wordende zwaaiende vriend staat sindsdien scherp in mijn geheugen gegrift. Het laat me nog steeds niet los. Ik wist dat we naar Arnhem reden. Maar ik snapte niet waarom ik weg moest uit mijn dorp in de stille bergen, uit mijn vertrouwde land.

 

– Nu zijn we 38 jaar verder, Rasit. Als ik ’s avonds even inschakel naar het televisiejournaal zie ik jou daar wel eens. Wat heeft het leven in die 38 jaar met je gedaan?

 

Ja, ik kom geregeld op radio of tv. En ik word geciteerd in kranten. De laatste tijd vaak vanwege het salafisme. Salafisten zijn voorstanders van een strakke, rigide interpretatie van de islamitische teksten. Of eigenlijk: helemaal geen interpretatie, maar onkritisch en direct overnemen van deze teksten. Uit salafisme komt islamitisch extremisme voort. En dan heb je mensen in Nederland nodig die een andere islamitische opvatting laten horen. En dat doe ik dan meestal. In die rol vertegenwoordig ik het midden, de meerderheid, de gematigde islam. Dat is best een ingewikkelde rol. De meerderheid in het midden heeft niet geleerd zichzelf te profileren. Het midden was altijd vanzelfsprekend. Het was nooit echt nodig om vanuit die positie aan PR te doen.

 

– Om jouw plek in dit veld beter te kunnen snappen wil ik toch nog met je terug naar het begin: naar je reis van Dereköy naar Arnhem. Kun je ons vanuit het startpunt van die reis met je mee laten reizen naar nu?

 

Dereköy ligt in een afgelegen gebied midden in Turkije. Een dorpje van een paar honderd inwoners, toen ik er wegging. In de bergen. Geen elektriciteit. Geen verharde wegen. Traditionele, agrarische verhoudingen. Als we er van hier en nu naar kijken, dan was het de wereld van drie eeuwen geleden. Mannen staan centraal. Mensen voeren een harde strijd om te bestaan, soms letterlijk om te overleven. De dood was dichtbij. Zeker voor kleine kinderen. Mijn vader vertrok daar in 1964. Hij wilde in Nederland een waardiger en beter leven opbouwen. Dat betekende voor ons gezin, achtergebleven in Turkije, een geweldige vooruitgang. Daardoor hebben we kunnen overleven, mijn broertjes en zusjes en ik. Toen wij 14 jaar later ook naar Nederland gingen was ik 15 en naar Turkse begrippen klaar voor het leven. Daar was voor mij een levensweg klaargelegd. Door ons vertrek heb ik die natuurlijk niet kunnen invullen. Dat bindt me nog steeds op een eigenaardige manier aan Turkije: ik heb daar een onafgemaakte toekomst. Ik stel me vaak de vraag: wat zou er van me geworden zijn als ik was gebleven? Als ik er nog wel eens terugkom kijk ik naar de vrienden uit mijn kindertijd: zou ik ook zo geworden zijn?

Die reis naar Arnhem was een reusachtige reis door de tijd. Dat heb ik echt zo ervaren in dat Ford Transit busje. In een dag of vier hebben we drie eeuwen overbrugd. Die reis ging zo snel! Het contrast was zo groot! Het ging gewoon te hard. Ik was in shock. Ik kon het niet bijhouden. Wist niet wat me overkwam. Bijna al mij houvast aan het leven scheurde af. Mijn vrienden, alles wat gewoon was en waaraan niet getwijfeld hoefde te worden, de kaart in je hoofd van de wereld waarin je leeft. Ik heb dat helemaal niet kunnen begrijpen. Mijn leven is door deze dramatische verandering voorgoed getekend. Als ik moet vertellen wie ik ben, dan spelen die drie reisdagen een hoofdrol.

Dat geldt ook voor mijn geloof. Tijdens mijn jeugd in het dorp was alles wat er was en wat we deden doortrokken van de vanzelfsprekendheid van de islam. En iedereen deelde die integrale islam. Als iemand iets afwijkends deed of probeerde, dan spraken anderen hem daarop aan. De hele sociale structuur van de samenleving was erop gericht deze vanzelfsprekende manier van traditioneel islamitisch leven te bestendigen. Die vanzelfsprekende islam heb ik nog steeds in me.

En toen was er Arnhem. Nederland. Alles waar ik richting aan ontleende stond op losse schroeven of was verdwenen. Stel je dat eens voor! Ik was uit elkaar getrokken. In de war. In een voortdurende shock. De eerste twee jaar heb ik Nederlands geleerd. Daarna ben ik naar school gegaan. De MAVO. Een gemengde klas. De cultuurschok herhaalde zich daar steeds weer. Heel heftig. Ik weet nog dat we voor het schoolgebouw bij elkaar stonden, jongens en meisjes. We hadden het zomaar over verkrachten. Wat dat is en zo. Een Nederlands meisje, ik vond haar heel mooi, merkte toch heel nonchalant op: “als het maar lekker is”. Dat vond ik zo onbestaanbaar! Hoe kun je dat nou zeggen? Dat soort dingen blijft hangen. Zulke opmerkingen kon ik niet plaatsen! Ik voelde de grond onder mijn voeten verdwijnen, mijn denkwereld uit elkaar getrokken worden. Dat gebeurde geregeld. Het was geregeld crisis in mijn identiteit.

Ik moest daar natuurlijk wat mee. Ik deed twee dingen. Eerst zocht ik houvast in de wetenschap. Ik ging moeilijke boeken lezen. En heel snel daarna zocht ik mijn toevlucht in godsdienst. Een jaar of vijf na mijn aankomst ging ik me sterk richten op de islam en me tegelijkertijd afkeren van de autochtone Nederlandse mensen. Vroomheid werd mijn nieuwe houvast. Ik las boeken over de islam om mijn identiteit te leren kennen zodat ik iets had om me op te beroepen in die vreemde wereld. Let op: die vroomheid is heel wat anders dan de vanzelfsprekende islam uit mijn jeugd in Turkije. Ik leefde niet meer in een wereld waarin islam overal aanwezig was en moslim zijn eigenlijk een beetje vanzelf ging. Maar wat ik wel kon was vroom zijn: doelgericht moeite doen om de islam te vinden en moslim te zijn.

Thuis bracht mijn vroomheid veel spanningen met zich mee. Vooral met mijn vader. Een heel bijzondere man: nooit op school geweest, maar hij had zichzelf lezen en schrijven geleerd. Autodidact dus. Hij was sterk op politiek links gericht. Helemaal niet vroom. Integendeel. En dan wordt zijn zoon in Nederland vroom. Ik liet mijn baard staan en ging me anders kleden. Vijf keer per dag bidden. Heel streng vasten. Mijn vader deed dat niet. We kregen ruzie. Ruzie met woorden, begrijp me goed. Maar er was veel spanning tussen ons. We discussieerden stevig en probeerden elkaar gepassioneerd te overtuigen. Ik wilde hem bekeren. Achteraf ben ik er eigenlijk niet gelukkig mee dat dat zo ging. Ik heb dat niet goed gedaan. Het was fout van me om me zo af te zetten. Ik heb dat niet helemaal recht kunnen zetten met mijn vader. Daarom vind ik het zo erg dat hij deze Rasit van nu niet heeft meegemaakt: de Rasit die in de publiciteit is, geciteerd wordt, op tv komt. Als hij nu in mijn ziel zou kijken dan zou hij zien dat ik toch veranderd ben sinds de tijd dat we onenigheid hadden. Nu heb ik van die vroomheid afstand genomen.

 

– Weer een reis! Niet alleen de reis met de Ford Transit die in drie dagen drie eeuwen overbrugde. Maar ook de reis van je vader weg en weer naar je vader toe. En een reis met de islam waarvan de betekenis in de loop van de tijd voor je opschuift. Vertel wat meer van die betekenisverandering van de islam in je leven nu. Vertel van het verschil tussen de jonge man met de baard en de moslim die je nu bent.

 

Ik heb veel crisismomenten doorgemaakt. En ik ben daardoor steeds veranderd. Ik vond andere accenten en richtingen voor mijn leven. In tegenstelling tot mensen in een homogene cultuur en in homogene verhoudingen heb ik het voorrecht gehad dat ik me vaak tegen het licht moest houden als ik weer wat tegenkwam dat ik niet kon plaatsen. Dat is niet alleen moeilijk en heftig, dat is het natuurlijk, maar het is ook inspirerend. Ik kijk op de ontwikkeling van mijn godsdienstigheid terug zoals ik ook terugkijk op de ontwikkeling van mijn levensweg: als een zinvol proces. Ooit zocht ik vooral een veilige haven, iemand die me zei wat ik moest doen: me een handelingsinstructie gaf. Ik was op zoek naar zekerheid. En die kon ik niet in mezelf vinden. Daarom zocht ik die in de Koran en de hadith. Als ik uit de Koran kon halen wat ik moest doen en hoe ik moest leven, dan had ik mijn doen en laten op God gebaseerd. En dan is het altijd goed. Mijn grondhouding was gehoorzaamheid. En daar was ik trots op. Want ondanks mijn vader en ondanks de wereld waarin ik terechtgekomen was gaf ik me over aan God. Die gaf me instructies.

Maar nu zeg ik: ik was toen onmondig, onvoldoende autonoom om zelf tot een oordeel te komen over wat juist is en wat fout is. Die onmondigheid is nu voorbij. De Rasit van nu is mondig, autonoom, zelfstandig. Ik weet welke afwegingen ik zelf moet maken om te komen tot een handeling. Die instructies heb ik niet meer nodig. Ik weet het zelf. Als iemand me een instructie voorhoudt die van God komt, dan roept dat bij mij weerstand op: waarom zou ik die instructie moeten volgen?

 

– Maar wat blijft er dan van je moslim zijn over?

 

Wat van de islam overblijft is de inspiratie. De Koran vind ik belangrijk. God vind ik belangrijk. De profeet Mohammed vind ik belangrijk. De traditie vind ik belangrijk. En de geloofsgemeenschap. Dat geef ik allemaal een plek in wie ik ben. Maar het verschil met vroeger is dat ik dat niet meer doe om aan instructies te komen, maar veel meer om aan kaders te komen, om aan betekenis te komen, aan inspiratie. Ik houd van God. En ik houd van Mohammed. Maar niet om mezelf onderdanig te maken, maar veel meer om mijn eigen verantwoordelijkheid te nemen. Zo is Rasit nu.

Ik weet dat dit een nieuwe vorm van godsdienstigheid is in de context waarin moslims hier leven. De godsdienstigheid van moslims is heel sterk gericht geweest op instructies, op gehoorzaamheid, op God als almachtige en alwetende God waarnaar je moet luisteren en die al je vragen voor je heeft opgelost. Moslims moeten op zoek naar een godsdienstigheid waarin de gelovige zelf zijn leven verantwoordelijk inricht en zich daarbij laat omkaderen en inspireren door de islam. Ik weet dat dat een grote stap is: van op gehoorzaamheid gerichte instructie naar inspiratie bij persoonlijke levenskeuzes.

 

– Volgen moslims je op deze reis?

 

Moeilijk. Ik hoor wel eens de reactie: wat jij zegt is filosofie geen islam. Maar hoe moeilijk het ook is: in de nieuwe werkelijkheid waarin ik leef, waarin wij leven, kun je die instructieve invulling van religie niet handhaven. Die past niet meer. Die is niet duurzaam. De cultuur waarin ik nu leef vindt die instructieve religie kinderlijk. En daar zit wat in! Op den duur stopt dat gewoon. En dat is nu al aan de gang. Moslim extremisme is daarvan een uitdrukking. Dat is geen revival, maar een symptoom van ondergang. En daarmee ook van het betekenisloos worden van de islam voor de vragen van moderne mensen en voor hun zoektocht. Maar ik heb de overtuiging dat de islam universeel is en dus in staat is ruimte te scheppen voor deze nieuwe vorm. In onze actuele samenleving krijgt de islam een nieuwe toekomst, zodat de islam op haar beurt weer van betekenis kan zijn om inspiratie te geven voor de toekomst van mensen. Maar dat gaat stap voor stap. Ik hoop zo dat we uitkomen bij een religieuze praktijk van moslims die aansluit bij de werkelijkheid van de samenleving. Zonder dat de islam simpelweg met de moderne wereld gaat samenvallen. Maar waarin de islam inspiratie geeft en een kritische stem. Daarheen, op die weg, ligt mijn rol. De tijd is onze bondgenoot.

 

 

 


Religie tovert met leegte

Rasit Bal interviewt Thom Geurts

 

Twee docenten interviewen elkaar om de persoonlijke kant van levensbeschouwing te laten zien. Ze zijn zo persoonlijk dat ze uit hun rol als docent vallen. Maar is dat wel zo? Val je als docent niet juist in je rol als je persoonlijk wordt? En geldt dat niet ook voor je rol als collega? En vooral ook als docent-theoloog, die van het omgaan met wat uiteindelijk van belang is werk en deskundigheid gemaakt heeft? Kan dat zonder levensverhalen? Kan levensbeschouwing zonder levensverhalen? Bestaat levensbeschouwing zonder mensen? Transformatie van levensbeschouwing betekent dat de aandacht verschuift van de levensbeschouwelijke systemen naar concrete mensen die zoeken naar zin en richting. Of die mensen daarbij in een traditie staan of niet.

 

– Thom, we kennen elkaar al langer. En we werken samen als collega’s. Maar het is me tot nu toe niet gelukt dieper in jou te kijken. Als we het hebben over levensbeschouwing hebben gaat het om wat iemand het diepst raakt, over kernervaringen die veel andere ervaringen bij elkaar halen, over de kern van je bestaan waar je zelf geen greep op hebt maar die je wereld betovert. Kun je me iets vertellen over jouw betovering?

 

Tsja: betovering! Als ik bij die uitdrukking aansluit: mijn leven is een sprookje, maar wel met een zwarte kant. Een foute tovenaar is met mijn leven aan de slag geweest. Wat heel belangrijk voor me is en wat ik mijn hele leven op mijn nek heb zitten, is de dood van mijn vader. Ik was krap een jaar oud. Ik was het enige kind uit het prille huwelijk van mijn ouders. Toen mijn moeder uit de idylle van dat huwelijk wakker was geschud is ze met mij teruggegaan naar haar ouders. Zij ging werken. Overdag zorgden mijn opa en oma voor me. Na een jaar of drie is ze opnieuw getrouwd. Dat huwelijk werd een grote mislukking die duurde tot het overlijden van mijn stiefvader een jaar of vijfentwintig later. Hij had in de oorlog diepe littekens opgelopen. Die maakten het voor hem onmogelijk met kinderen om te gaan. En met alles wat onvoorspelbaar is. Hij was op een pathologische manier gehoorzaam, klauwde zich vast aan waarheid en bestreed alles dat daarmee in tegenspraak was. Een autoritaire persoon met gewelddadige trekken. Mijn jeugd, tot het moment dat ik als 18 jarige het huis ontvluchtte, is één grote oorlog geweest met die man.

 

– Is dat een crisis geweest die je dwong je opnieuw te oriënteren? En waarin je levensvragen stelde?

 

Het was geen crisismoment, maar een voortdurende crisis. Af en toe kwam die met geweld tot ontlading. Als ik zondags naar de kerk moest, bijvoorbeeld. Of als ik tijdens de mis het protocol van het misboekje weigerde te volgen: zitten, staan, knielen, zingen, zwijgen, teksten opzeggen, schuld ervaren, luisteren, buigen. Alles in een vast patroon. Of met de boeken die ik van weeromstuit in mijn boekenkastje verzamelde. Op de middelbare school had ik al heel vroeg de filosofie ontdekt. Vooral Feuerbach en Marx. Later Marcuse en Sartre. En mijn lieveling Camus. Ik begreep natuurlijk niet alles, maar het waren mijn maatjes. Ook Jan Wolkers en Mao stonden in dat kastje. Allemaal teksten waarmee ik me wapende om mijn stiefvader op zijn eigen ideologisch terrein, zijn autoritaire gehoorzaamheidsgeloof, te verslaan. Het avondmaal was dagelijks strijdperk. Als een discussie te hoog was opgelopen rende hij naar mijn kamertje voor een zuivering van de boeken. Ik heb nog steeds het exemplaar van Serpentina’s Petticoat van Jan Wolkers met afgescheurde omslag. Het was eenzaam. Ik had geen vrienden om dit mee te delen. De schaamte was daarvoor te groot. Er waren de stemmen van mijn boekjes en ikzelf. Maar ook de stem van de herinnering aan mijn opa! Die had me geleerd wat veiligheid was, aandacht, warmte, liefde. Hierdoor ging ik niet aan de situatie ten onder. Ik zweefde als het ware tussen de harde realiteit van het gezin waarin ik opgroeide en warme herinneringen. Ik leefde wel in dat gezin, maar ik was er niet ván. Waar ik wel van was, dat was leeg. Van mijn vader herinner ik me niets. Helemaal niets. Alleen van horen zeggen. Maar dan ging het voor mijn gevoel steeds over een vreemde. Toen ik vijfentwintig werd kreeg ik van mijn moeder een oude agenda. Zo’n leren agenda met een kliksysteem zodat je jaarlijks nieuwe vulling kon kopen. Het merk Succes Agenda bestaat nog steeds. Al het nieuwe in een vertrouwd bandje. Het was de agenda van mijn vader. In de ring het jaar 1956. Mijn geboortejaar. Toen mijn moeder hem gaf durfde ik hem niet open te maken. Dat durfde ik pas toen ik alleen was. De eerste pagina’s bevatten adresgegevens en zo. In het handschrift van mijn vader. Maar ik was niet benieuwd naar de krabbels en uitslagen van rikpartijtjes met vrienden die erin staan. Ik was zo benieuwd naar wat er op 5 september in geschreven stond. De dag van mijn geboorte. Wat zou die voor hem betekend hebben? Ik bladerde naar die datum.
Leeg… Helemaal leeg. Niet zomaar leeg maar oogverblindend leeg. Ik schrok. Ik ervaarde toen die leegte als een indringend gemis. Die leegte is de kern van mijn levensverhaal. Wie ik ben is een antwoord daarop. Ik heb die leegte in de loop van de jaren steeds meer gezien als een opdracht. Niet om te ontdekken wie mijn vader was. Maar als een opdracht om die leegte intact te houden en er toch verder mee te komen.

 

– Maar je vult die leegte dan toch met je vragen? En wat je nu zegt vult die leegte toch ook op?

 

Nee. Juist niet. Ik probeer de leegte die mijn vader in mij heeft nagelaten zuiver te houden en juist niet in te vullen of te temmen met herinneringen, belangstelling of spulletjes. Dat is heel belangrijk voor me: die leegte is er. Die leegte bracht me het besef bij dat mijn stiefvader mijn vader niet is. En dat er meer was dan de strijd om het bestaan in ons gezin.

 

– Maar dan nu de stap naar levensbeschouwing. Een crisis in je leven dwingt je vaak om levensvragen te stellen. Zo’n levensvraag is ‘wie ben ik eigenlijk’? Hoe zit dat met jouw ervaring van leegte onder of achter wie je bent? Heb je antwoorden?

 

Ik heb geen antwoord op de vraag wie ik ben waarmee ik die vraag opzij kan schuiven. Ik heb geen antwoord dat die vraag oplost en me naar een volgende vraag brengt. Ik wil dat ook niet! Ik wil die vraag niet opvullen of verstommen met een antwoord. Ik wil die vraag niet met antwoorden bestrijden. Ik wil die vraag bij me houden als vraag. De leegte voel ik in deze vraag. Ik verhoud me tot de leegte. Soms alsof het een persoon is: de leegte daagt me uit om iets te doen dat de leegte intact houdt. Mijn bestaan zelf is daarop het antwoord. Een vorm van leegte. Dubbelzinnig hè? Die leegte is altijd bij me. Op mijn werktafel ligt de oude agenda. Ik verzet me ertegen die leegte te sussen met vrolijke ervaringen. Die zijn er natuurlijk wel! En heel veel! Maar ik zet ze niet in tegen de leegte. Eigenlijk verwijzen ze er steeds naar. Dit ervaar ik als religie: het ontzag voor leegte. Een permanente ervaring van dit ontzag. Dat niettemin om een antwoord vraagt door te leven. Niet een cognitief antwoord, een propositie waarmee je een raadsel uit zo’n vakantieboekje oplost. Het is een leegte waarmee ik verbonden ben. Die me uitdaagt. Ik herken dit in de kern van de religieuze tradities waarmee ik bekend ben: jodendom, christendom, islam en boeddhisme. Ik herken dit ook in het humanisme. En in muziek, beeldende kunst, literatuur.

 

– Voor mij is die leegte niet bevattelijk. Ook niet dat je die niet wilt opvullen. Mijn reflex is: vul die leegte op zodat ze er niet meer is. Ik zie die leegte als een tegenstander.

 

Maar dat wil ik helemaal niet! Ik wil die leegte niet opvullen. Ook niet met beelden.

 

– Je handhaaft de leegte. Maar je vult hem ook zelf op met je leven.

 

Nee. Dat is niet: opvullen. Ik zie mijn leven als een antwoord op de leegte, niet als een opvulling ervan. Als je leegte opvult is die weg. Als je er een antwoord op geeft blijft hij. Zoals een persoon die tegenover me zit. Ik geef antwoord en daarin bevestig ik dat die persoon er is. Ik wis haar met het antwoord niet uit. Integendeel. Ik vind dit van beslissend belang voor het bestaan en voortbestaan van religie in onze ingewikkelde tijd. Ik vecht ervoor om religie open te houden door de vraag, het geheim, de leegte die er onder ligt intact te laten en niet te bezweren. In religie gaat het erom in de vraag zelf de onmogelijkheid van een antwoord uit te houden. En zo het ongrijpbare tegen te komen. Ik wil dat open houden en zo een beetje deelnemen aan die ongrijpbaarheid. Ik ben erg beducht voor fixatie van religie. Het bestrijden van de vraag die er onder ligt door van religie een antwoordsysteem te maken. Zo deed mijn stiefvader dat ook: religie als een verlossend antwoord op kwellende vragen. Wat religie betekent toont zich in het lef om met lege handen te staan. Daarmee hangt ook een bedenking samen die ik heb tegen de manier waarop veel moslims momenteel hun geloof uitdrukken. Ik merk dat ik er behoefte aan heb om van moslims meer te horen over God. Maar ik hoor in plaats daarvan zo veel over gedragsregels en hoe je die zeker kunt weten. Is God niet groter, of geheimer en leger dan al die regels? Wat hebben moslims te zeggen nadat ze die regels gevonden hebben? Is er een fundamenteel erbarmen vanuit God? Vergeving? Is er een respectvol niet-weten als het om God gaat? En als het over mensen gaat? Natuurlijk zit ook dit diep in de islam. Maar ik hoor het bijna niet meer. Ontwikkelt de islam zich niet in de richting van een gefixeerde religie, terwijl ze nota bene voortkomt uit protest tegen mensen die door weten macht over het uiteindelijke wilden uitoefenen. Is het tijd voor moslims om zich juist in die kernervaring te herbronnen?

 

– Als levensbeschouwing gaat over betovering dan is dit jouw betovering. Ik kan en moet het respecteren en ernaar luisteren. Nu zijn we sprakeloos. Is dat niet ook een betovering?

 

Zeker is dat betovering als die sprakeloosheid voortkomt uit iets dat heel belangrijk is, en dat we samen raken. Een stilte waar toch verbinding in klinkt.

 

MENU