We stookten toen nog kolen. Tenminste: in de woonkamer. Niet in de keuken. Daar hadden we een oliekacheltje. Maar in de woonkamer, waar we alleen bij uitzondering in mochten, stond een kolenkachel. Niet zo’n zwarte. We onderscheidden ons met een korfvormige en metaalkleurige kachel. Met een sigaar geklemd tussen zijn lippen en met een zwiepende haarlok langs zijn voorhoofd poetste hij het stof van de luchtaanvallen op het Roergebied en de viezigheid van de Poolse kampementen waarin hij was tewerkgesteld, van de kachel. Het ding moest smetteloos blinken als een spiegel waarin hij zijn moeder kon zien. Er stond al een vette vinger op als je er naar wees. Daarom was de kachel er niet voor kinderen. De woonkamer trouwens ook niet.

Tegen het schuurtje op onze achterplaats was een kolenbunker gebouwd. Aan de bovenkant daarvan, op een kleine anderhalve meter hoogte, zat een zware deksel met een stevige greep. Een paar keer per stookseizoen kwam een man die sterk genoeg was om het deksel eraf te halen. Dat ging in één achteloze beweging. Vervolgens kiepte hij de inhoud van de juten kolenzak door het gat. En daarna nog één en nog één. Met een zware zak op zijn schouder kwam hij over het sintelpaadje door de poort onze tuin binnen. Ik hoor nog zijn schoenen over de sintels malen. Achter in het schuurtje, vlak boven de vloer, was een opening waardoor je bij de kolen kon. Met een speciaal schepje vulde je de kit. Die nam je dan mee het huis in. Wel eerst goed poetsen natuurlijk. Dat was geen werk voor kinderen.

Verder lezen in: Thom Geurts, Vormen van leegte, Een kleine catalogus van levenskunst, Tilburg, 2016, softcover, 92 blz., geïllustreerd, ISBN 978-90-825727-0-4, € 17,50 (exclusief verzendingskosten).

Bestellen via info@waardegerichtleren.nl, of via de contactknop van deze site.