Ontbinden en Verbinden: Factoren van nomadische vakdidactiek voor Religieus Leren

//Ontbinden en Verbinden: Factoren van nomadische vakdidactiek voor Religieus Leren

Ontbinden en Verbinden: Factoren van nomadische vakdidactiek voor Religieus Leren

Rodin Porte de l'enfer

  1. Ik bepleit een handelingsgerichte benadering van religie als basis voor vakdidactiek van G/L. De religieuze handeling staat in het leren centraal. Kennis, communicatie en motivatie zijn onontbeerlijke dimensies ervan. Kenmerkend voor de religieuze handeling is dat je je leefwereld opbouwt in het perspectief van uiteindelijke zin. Kenmerkend van kennis is dat je een bijzondere gebeurtenis of een bijzonder voorwerp plaatst in een algemeen kader: “Dit is een boom”. De kennis die je al hebt wordt betrokken op een nieuw verschijnsel. Je kennis verhuist dus naar een nieuwe situatie. Dat noem ik het nomadisch karakter van kennis. Dit nomadisch karakter zie je ook in handelingen: je probeert of een handeling die je al kent ook past bij een nieuwe situatie. Ook je persoonlijkheid heeft een nomadisch karakter: gebeurtenissen die je leven oriëntatie geven houd je bij je om ze te herinneren in nieuwe situaties.
  2. Religie komt van religare: verbinden. Kenmerkend voor de religieuze manier van verbinden is dat je relatie zoekt met het uiteindelijke. Het uiteindelijke ontsnapt aan onze macht: je kunt het niet (letterlijk) begrijpen. Het is een geheim, een waarnemingshorizon die alles relativeert. Geplaatst tegen het uiteindelijke ontbinden we de alledaagse betekenis van gebeurtenissen. Dat lijkt abstract, maar het is een vermogen dat alle mensen bezitten en dat ons vrij. Het zit in een simpele vraag: “is dit nou alles?”; “waar doe ik het voor?”. Met zulke vragen relativeren we alledaagse betekenissen (ontbinden) om te kunnen verbinden met het uiteindelijke. Ontbinden en verbinden: dat is de motor van religieus handelen. Het uiteindelijke geldt in de collectieve ervaringen van religieuze tradities als transcendent: overstijgt het begrijpen en objectiveren. Daarom hoort bij het leren van religie het leren omgaan met onuitwisbare onzekerheid. Loslaten van het bekende en wegtrekken naar het onbestemde, in vertrouwen, dat maakt religie tot een nomadische praktijk (Abraham/Ibrahim).
  3. Het proces van ontbinden en verbinden verloopt volgens een traject dat in de sociale handelingstheorie is blootgelegd en dat kan dienen als model voor religieus leren. Voor elke sociale handeling, dus ook voor religieus handelen, zijn twee dimensies noodzakelijk: een objectieve en een subjectief-creatieve dimensie. Vergelijk met taal: om creatief te kunnen zijn met taal moet ik woordbetekenissen en grammaticaregels gebruiken die ik niet zelf maak, maar die er al waren voor ik ging schrijven en die ervoor zorgen dat anderen mijn schrijfsel verstaan. De objectieve dimensie van religieus handelen vind je onder andere in de erfenis van religieuze tradities. Deze systeemkant van religieus handelen heeft de creativiteit van concrete mensen nodig om betrokken te worden op nieuwe situaties en daarmee te veranderen.
  4. Religieus handelen is leerbaar. De didactiek is contextueel (religie wordt teruggeplaatst in situaties van concrete mensen), activerend (religie wordt teruggegeven aan het scheppend handelen van mensen die hun situatie in verbinding brengen met het uiteindelijke) en authentiek (religie wordt verbonden met het persoonlijk zoeken naar een relatie met het uiteindelijke). Religieuze tradities worden in deze didactiek teruggeplaatst in de contexten waarin ze steeds opnieuw ontstaan, veranderen en nieuw worden doorgegeven of gebroken.
2016-11-09T09:37:32+00:00 Geen categorie|
MENU